Nieuwe ronde, nieuwe kansen

Brussel is ver weg, maar niet als het om natuur en landschap gaat. Daarom is het goed om kennis te nemen van de nieuwe ronde in het Europese landbouwbeleid. En om uit te vinden hoe beide kunnen profiteren van de nieuwe regels, die in de loop van 2014 van kracht worden. Conclusie: de regeling biedt interessante mogelijkheden, maar versnippering ligt op de loer. Voor meer natuurrendement is samenwerking nodig. Weten boeren, natuurbeheerders en overheden elkaar te vinden?

Wheat fieldIn het gemeenschappelijke landbouwbeleid van de Europese Commissie voltrekt zich een revolutie. Waar de Europese Commissie in het verleden de productie van melk, graan, suiker en vele andere producten met subsidies heeft beloond, vinden uitkeringen binnenkort per hectare plaats, een hectaretoeslag dus. Het maakt dan niet meer uit of je veel of weinig produceert, de subsidie blijft dezelfde. Een boer die kiest voor ‘extensief’ krijgt dan net zoveel toeslag als een boer die ‘plank-gas’ produceert. Ook komt er een graasdierpremie voor vee in natuurgebieden. Deze veranderingen voltrekken zich in de periode van 2014 tot 2019.

Een tweede belangrijke stap van het nieuwe beleid is de vergroening van de landbouwsubsidies. Nederlandse boeren kunnen in de nabije toekomst € 390 euro per hectare krijgen. De laatste € 120 euro krijgen zij echter alleen als ze voldoen aan een aantal duurzaamheidseisen. Als vergroening geldt de verplichting om permanent grasland intact te laten, om voldoende verschillende gewassen te verbouwen en om op bedrijven met een groot aandeel akkerbouw minimaal vijf procent van het oppervlakte in te zetten voor ecologische doeleinden, de zogeheten ‘ecologische focusgebieden’.

Voor de natuur zijn vooral deze ecologische focusgebieden interessant, althans dat kunnen ze zijn. Er is nog veel onduidelijkheid over. De oorspronkelijke idee was dat boeren (de verplichting geldt alleen voor akkerbouwers en voor melkveehouders met veel bouwland) minimaal vijf procent zouden inrichten als kleine natuurgebieden, bijvoorbeeld als bloemrijke akkerranden. Daarmee is de biodiversiteit in het agrarisch gebied gediend. Om aan die vijf procent te komen probeert een aantal boeren het bedrijf uit te breiden met de aankoop van houtwallen, vennetjes en andere landschapselementen. Het is de vraag of die landschapselementen daarna goed worden beheerd; het is die boeren daar niet primair om te doen. Andere boeren zullen de minder productieve akkerranden en kopakkers gebruiken om aan de verplichting te voldoen. Het gevaar is dus groot dat de 5-procentsregeling een sterke versnippering oplevert, waar boeren alleen maar last van hebben en waar de natuur weinig mee opschiet.

De vraag is of die regeling niet op een nuttiger manier kan worden ingezet. Naar mijn mening kan dat als natuurorganisaties en overheden boeren uitnodigen om aan te sluiten bij eigen acties. En daar dan wat extra’s tegenover stellen. Waterschappen kunnen bijvoorbeeld boeren vragen om langs kwetsbare watergangen extra brede spuitvrije randen of natuurvriendelijke oevers aan te leggen. Omdat de Europese Commissie de hectaretoeslag betaalt, is een kleine extra vergoeding waarschijnlijk al voldoende. Op dezelfde manier kunnen terreinbeherende natuurorganisaties samen met de buurman-akkerbouwer afspraken maken over extensieve bufferzones langs de rand van hun natuurgebieden. Een gemeente kan op die manier voor weinig geld extra landschapselementen en nieuwe wandelpaden aanleggen. Boeren mogen een deel van de aangrenzende watergangen en landschapselementen van andere eigenaren meetellen. Als die andere eigenaar een natuurorganisatie is, is daarvoor wel toestemming nodig. Dat biedt gelegenheid om met de buurman-boer afspraken te maken over het beheer, vooral buiten de EHS kan dat voordelen bieden. Alles is overigens op tijdelijke basis, want het Europese landbouwbeleid werkt in rondes van 6 jaar en je weet nooit hoe het beleid over 6 jaar wordt ingevuld.

Interessanter wordt het als boeren gaan samenwerken in collectieven en de 5-procentsregeling gezamenlijk vormgeven. Het Europese beleid geeft daar ruimte voor. Minimaal vijf boeren mogen maximaal de helft van hun vijf procent bij elkaar leggen op het terrein van één van hen, mits die vijf boeren hun percelen aaneen hebben liggen. Op die manier kunnen natuurgebiedjes van enige omvang ontstaan, te beheren door een van hen en gefinancierd door de anderen. Op die manier kunnen ook regionale programma’s voor bloemrijke akkerranden of patrijzen een stimulans krijgen, waardoor de regeling echt gaat bijdragen aan de biodiversiteit. Dit werkt het beste als ook natuurorganisaties en overheden hierin met geld of grond meedoen.

Het vergt verleidingskunst van overheden en natuurorganisaties om boeren te bewegen de ecologische focusgebieden zo neer te leggen dat deze ook maatschappelijke doelen als natuur of schone sloten dienen. En het verdient vindingrijkheid van boeren om voor die gronden een financiële multiplier te vinden die het rendement van die losse stukjes vergroot. De vraag is: zullen boeren, natuurorganisaties en overheden elkaar hierin vinden?

Geplaatst in Uncategorized, Nieuwe ronde nieuwe kansen | Getagged , , , , , , | Reacties staat uit voor Nieuwe ronde, nieuwe kansen

Meer wilde natuur

Hebt u ook zo genoten van de film ‘De Nieuwe Wildernis’?  Prachtige beelden van kuddes grazende, strijdende en trekkende konikpaarden, opgejaagde jonge gansjes, jagende roerdompen, zeearenden en vossen en adembenemende zonsopkomsten. De film van Ruben Smit en Mark Verkerk laat prachtig zien dat de Oostvaardersplassen iets toevoegen wat in de gangbare natuur in Nederland ontbreekt.  Wilde natuur: waar kunnen we dat nog meer organiseren?

Meer wilde natuur - konikspaarden

De Nieuwe Wildernis laat een kant zien die je nauwelijks in andere Nederlandse natuurgebieden ziet: natuurlijk gedrag van grotere hoefdieren. Kuddegedrag met de hiërarchische verhoudingen die daarbij horen, evenals de voortdurende aanvallen op de betere posities en de geursporen die daarbij worden ingezet. De samenwerking bij het vinden van voedsel, het trekken naar nieuwe graasgebieden, dood en nieuw leven. Daarvan afgeleid de invloed die dat op de overige soorten heeft: de vossen en de raven, de mestkevers op de karkassen van een gesneuveld dier, het roodborstje dat leeft van de insecten die door de paarden worden opgeschrikt. Voor een ecoloog als ik, met in zijn opleiding een flinke dosis diergedrag, is dat gewoonweg smullen!

Wilde natuur voegt een dimensie toe aan de natuur, die in Nederland elders vrijwel altijd van de aangeharkte en gecultiveerde soort is. Wat mij betreft is er niets mis met de natuur van oude cultuurlandschappen en landgoederen. Maar toch, wilde natuur is een keuze die we hier en daar best kunnen maken. En die niet altijd hoeft te bestaan uit grote kuddes paarden en runderen. Wilde natuur kan ook door bijvoorbeeld in grote bosgebieden het beheer te staken en de ontwikkeling over te laten aan de natuurlijke verjonging en de sterfte van bomen, met herten en wilde zwijnen in natuurlijke dichtheden. Door in een flinke polder vernatting en veenontwikkeling toe te staan. Door in het rivierengebied en de kuststrook ruimte te laten voor natuurlijke processen als erosie en sedimentatie. Met af en toe in dat natuurgebied een ‘catastrofe’ als een overstroming, ijsgang of een flinke storm, zonder dat de mens daarna de schade herstelt. Wilde natuur: niet op postzegelformaat, maar op een de schaal van enkele duizenden hectares. Waar de mens te gast is en waar de terreineigenaar zich voornamelijk beperkt tot het beheer van bezoekers en omgeving.

Jori Wolf van Staatsbosbeheer schreef er een aardig klein boekje over. En er bestaat een website over wilde natuur in Nederland: www.ongerepte-natuur.nl. Gezamenlijk geven zij een beeld van ‘wilde’ natuurgebieden in Nederland. Allereerst natuurlijk de Waddenzee, ons andere ‘wilde’ natuurgebied. Daarnaast veel zogeheten bosreservaten, bossen waar geen beheer meer wordt uitgevoerd. Helaas zijn die laatste meestal maar een of een halve hectare groot en dat kan je toch nauwelijks wildernis noemen. In het rivierengebied zijn de ontwikkelingen grootschaliger en gelukkig ook veelbelovend. Maar wildernis smaakt naar méér, ook buiten het rivierengebied!

En dat kan. Onlangs woonde ik een discussie bij over de toekomst van de boswachterijen in Midden-Drenthe, georganiseerd door de Werkgemeenschap Landschapsecologisch Onderzoek (WLO). Staatsbosbeheer streeft hier naar een aaneengesloten stuk van 6.000 ha wildernisnatuur. Nu eens niet op de rijke zee- en rivierklei, zoals de Oostvaardersplassen en de verschillende rivierprojecten, maar op de pleistocene zandgronden van Drenthe bovenop het keileem. Arme grond waarin een grote rol is weggelegd voor het grondwater. De kern van dit gebied wordt gevormd door de boswachterijen van Schoonloo, Grolloo, Hooghalen en door het nu nog grazige Geelbroek. In een aantal jaren tijd moeten hier de dennen- en sparrenaanplant zijn vervangen door meer natuurlijk loofbos en gaat de grondwaterstand flink omhoog. Deze keer gaan er geen Schotse hooglanders  in; de natuur mag zelf zijn gang gaan. De eerste resultaten zijn al verbluffend: de eenzijdige bossamenstelling wordt doorbroken, water en bodem worden merkbaar de sturende factor. De aanzetten voor veenvorming zijn al zichtbaar. Gevarieerd structuurrijk bos met een rijke ondergroei, halfopen water, hoogveenbossen, deels afstervend, hoogveentjes, natte heiden en veenbeekjes gaan het beeld bepalen. Discussie is er nog over het introduceren van edelherten. Het huidige beleid verbiedt dat en de provinciale politici aarzelen om dat te veranderen. Waarom eigenlijk? Herten horen immers in zo’n gebied thuis en zijn van grote meerwaarde.

Wildernisnatuur in Midden-Drenthe geeft de natuur in Drenthe een nieuwe impuls. Ik ben ervan overtuigd dat wildernisnatuur ook een publiekstrekker en een motor zal zijn voor de Drentse economie. Veel meer dan voor die saaie boswachterijen zullen de mensen van heinde en ver komen om door dat eindeloze, maar afwisselende natte bos te fietsen, uit te kijken over de natte heidevennen en de kans te lopen op een ontmoeting met zo’n edelhert. Een bos als in de boeken van Tonke Dragt, waarin in de toekomst wellicht ook plaats is voor de wolf (Je weet dat ‘ie er is, ook al zie je ‘m niet …). Een bos waar je net zo kunt (ver)dwalen als in de Eifel of de Harz. Dat wilde, spannende bos geeft een wildernisbeleving die mensen nog lang nablijft en waar mensen voor terugkomen! Meer wilde natuur dus. De Grootwildenquête van Natuurmonumenten laat zien dat Nederland er rijp voor is.

Geplaatst in Meer wilde natuur | Getagged , , , , , | 6 Reacties

Het einde van de PAS

De Nederlandse natuur zucht al jaren onder de last van ammoniak en andere stikstofbronnen. Plannen voor nieuwe wegen, bedrijventerreinen en uitbreiding van veehouderijen worden om die reden door de Raad van State regelmatig naar de prullenbak verwezen. Regering en Provincies willen dit vanaf 2014 aanpakken met het zogeheten PAS-beleid, de afkorting van ‘Programmatische Aanpak Stikstof’. Maar wat hebben al die inspanningen voor zin als de veestapel in Nederland vanaf 2015 weer kan groeien? De PAS loopt zich vast, nog voordat die van start is.

Salland bij blog PAS 560x420In de afgelopen vijfentwintig jaar is de milieukwaliteit van de natuurgebieden flink verbeterd. Dankzij jarenlang milieubeleid en niet te vergeten modernere technieken neemt ook de depositie van ammoniak uit stallen en andere stikstofverbindingen langzaam af. Met veel overheidsgeld zijn grondwaterstanden verhoogd, vennen uitgebaggerd, beekdalen hersteld, heidevelden en duingraslanden geplagd. De maatregelen zijn bedoeld als overbrugging naar een tijdperk met aanzienlijk schonere lucht. Als sluitstuk van dit beleid werken Rijk en Provincies aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze moet medio volgend jaar van start gaan.

De filosofie van de PAS is dat jaarlijks wordt voorspeld hoeveel de stikstofbelasting op de Natura 2000 gebieden zal afnemen. De afname wordt met een aantal generieke maatregelen extra gestimuleerd. De ruimte die aldus ontstaat wordt gebruikt voor verbetering van de natuurkwaliteit én om de vastgelopen vergunningverlening weer op gang te krijgen. De inzet is minder stikstof, een gezondere natuur en ‘ontwikkelruimte’ voor de verschillende economische sectoren. Daarnaast worden  opnieuw vele (honderden) miljoenen euro’s ingezet om de natuur beter bestand te maken tegen stikstof, bijvoorbeeld door ook de verdroging te bestrijden.

Nog voor de PAS van start gaat doemen donkere wolken boven de horizon. Kabinetspartij VVD en de boerenorganisatie LTO willen namelijk dat de huidige varkens- en pluimveerechten in 2015 wegvallen. CDA en PVV zijn het daarmee eens en coalitiegenoot PvdA twijfelt nog. In 2015 vervalt ook de melkquotering. Volgens de voorstanders zouden de milieuregels de veestapel voldoende in toom houden. Maar uit onderzoek van enkele van mijn collega’s blijkt dat er wel degelijk (veel!) ruimte is voor een groei van de veestapel. En dus zal de stikstofdepositie niet of nauwelijks afnemen.

In dat onderzoek van ARCADIS zijn de planologische ruimte én de ongebruikte ruimte in milieuvergunningen van de veehouderij in 24 milieueffectrapporten op een rij gezet (1) . Uit deze MER-ren, blijkt dat de ruimtelijke structuurvisies en bestemmingsplannen buitengebied in het hele land nog voldoende ruimte laten voor maar liefst een verdubbeling van de veestapel binnen de huidige goedgekeurde bouwblokken en de reeds afgegeven milieuvergunningen. Als de dierrechten zijn vervallen is dat dus gewoon een kwestie van stallen bijbouwen waar het mag. Bij melkveebedrijven kan er ook in de huidige stallen nog flink veel vee bij, omdat veel boeren ook daar een ruimere vergunning hebben dan voor het vee dat zij nu houden. Daarnaast hebben vooral varkens- en pluimveehouders de mogelijkheid om luchtwassers en andere technische maatregelen in te zetten tegen de ammoniakuitstoot. Als die emissiereductie volledig wordt ingezet om daarna meer vee te houden, is binnen de vergunning zelfs vaak drie keer zoveel vee mogelijk. Gaat dit ook echt gebeuren? De enige rem die voorkomt dat niet ook de ammoniakuitstoot toeneemt is de Natuurbeschermingswet. Veehouders die op een Natura 2000-gebied méér ammoniak (stikstof) uitstoten, krijgen daarvoor geen vergunning. Voor natuurgebieden zonder Natura 2000 status geldt die beperking overigens niet. Hoe verder je van een Natura 2000-gebied afzit, hoe meer vee je binnen de milieuvergunning kunt houden. Zit je dichter bij, dan zal je een collega veehouder moeten uitkopen om per saldo te zorgen voor een gelijke uitstoot. Het resultaat zal zijn dat alle technische middelen en voermaatregelen zullen worden ingezet. Niet om de ammoniakemissie te reduceren, maar om meer vee te kunnen houden. En juist in de groep met de meeste ruimte en de meeste ammoniakuitstoot, de melkveehouderij, is controle een zeldzaamheid. Daarmee zou de ammoniakemissie in absolute zin zelfs nog kunnen toenemen.

Het einde van de dierrechten en de melkquotering en de technische mogelijkheden voor ammoniakreductie zorgen er dus voor dat de stikstofuitstoot niet afneemt, maar volledig wordt ingevuld met extra vee. Daarmee loopt de PAS volledig in het honderd. De ontwikkelruimte die boeren, industrie en wegverkeer nabij Natura 2000 gebieden wordt voorgespiegeld, komt er niet. Of wordt eerst uitgegeven om vervolgens te constateren dat de stikstofemissies niet zijn gedaald. De natuur blijft even ziek als ‘ie was en tijdelijk bedoelde natuurherstelmaatregelen blijken voor niets genomen. Hoe valt het (peperdure!) PAS-beleid te rijmen met deze uitbreiding aan de bron? Uiteindelijk zijn de natuur én de volksgezondheid het kind van de rekening. En de belastingbetaler, die eerder de inkrimping van de varkensstapel betaalde en nu het milieu- en natuurbeleid. Welke politicus gaat ons dit uitleggen?

(1) ‘Onderzoek uitbreidingsruimte veehouderij’, ARCADIS, september 2013. Het rapport is onder deze titel te vinden op internet.

Geplaatst in Het einde van de PAS | Getagged , , , , , , , , | 5 Reacties

Cradle to cradle en No nett loss

Wat hebben meubelplaten en biodiversiteit met elkaar te maken? Veel, bleek toen wij een fabriek van meubelplaten begeleidden die cradle to cradle wil gaan werken en daarbij ook aandacht wilde voor biodiversiteit. Daarbij stelden wij het begrip ‘no nett loss’ centraal. Lees er meer over in mijn nieuwe blog op www.dolfsnatuurblog.nl.

Met enige regelmaat organiseert ARCADIS bijeenkomsten van zogeheten S-teams. De ‘S’ staat hier voor Sustainability, duurzaamheid dus. Daarbij brainstormen specialisten uit ons bedrijf met verschillende achtergronden over het verbeteren van het duurzame karakter van onze dienstverlening. Dergelijke S-team-sessies organiseren wij ook voor onze opdrachtgevers. Zo nam ik enige tijd geleden als natuurspecialist deel aan zo’n brainstorm voor de initiatiefnemers van een fabriek in meubelplaten: ABC-Boards in Wijster (Drenthe).

Gras als grondstof blog oktober 2013 - 467x278ABC heeft het voornemen meubelplaten te produceren die niet van houtresten, maar van vezelgewassen zijn gemaakt. De initiatiefnemers hebben hoge ambities: alles moet ‘cradle to cradle’. Niet alleen het gebouw, maar ook de platen zelf.  Met aandacht voor biodiversiteit. Ze vroegen ons om mee te denken. Dus gingen wij op ‘ontdekkingsreis’ in zo’n S-team-sessie, samen met de klant en – in dit geval – ook enkele specialisten van buiten.

Er volgde een boeiende discussie over de verduurzaming van deze plaatfabriek met vogels van verschillende pluimage: energiedeskundigen, werktuigbouwkundigen, milieukundigen, landschapsarchitecten, kenners van duurzame gebouwen en van het cradle-to-cradle proces zelf. Ikzelf schoof als  ecoloog in het gezelschap aan. In de brainstorm passeerde van alles de revue: duurzaam bouwen, energiebesparing, benutting van afvalstromen, waterverbruik, de landschappelijke inpassing, de grondstoffenkeuze en zelfs de keuze van de lijmsoort in het board. Zonder de nuttige ideeën van anderen te kort te willen doen, beperk ik mij hier hierna tot de aspecten die met natuur en biodiversiteit te maken hebben.

Het natuurlijke equivalent van cradle-to-cradle op het gebied van biodiversiteit is het uitgangspunt ‘no nett loss’. Dit betekent dat als een bedrijf zich ergens vestigt het in elk geval moet zorgen dat het verlies aan natuur volledig wordt gecompenseerd. Je zou er zelfs een ‘plus’ op kunnen zetten, zodat de vestiging per saldo méér natuur oplevert dan deze vernietigt. Er zijn drie aangrijpingspunten om dit begrip in te vullen: het bedrijfsgebouw, de terreininrichting en de bedrijfsomgeving. Daarnaast zou je dit principe ook moeten toepassen op de totale productieketen. De effecten van alle fasen uit deze keten, van de winning van grond- en de hulpstoffen via het productieproces in de fabriek tot en met de gebruiksfase en de verwijdering van afvalstoffen, moeten voor de natuur ten minste neutraal en bij voorkeur zelfs positief zijn.

In deze brainstorm zijn wij deze aspecten langsgelopen. De beste manier om bij de bouw van het bedrijf ‘no nett loss’ te realiseren is door aan te sluiten bij een gecertificeerd toetsingssysteem voor duurzame bouwprojecten,  bijvoorbeeld BREEAM. BREEAM dwingt je de natuur systematisch in het bouwproces in te passen, bijvoorbeeld door rekening te houden met de locatiekeuze, het ontwerp en de realisatie. Punten kun je verdienen met bijvoorbeeld een vegetatiedak van vetplanten, inbouwkasten voor nestelende vogels en groene gevelelementen, maar ook door het gebouw daar neer te zetten waar dit de minste natuur aantast. Ook bij de terreininrichting kan op vele manieren rekening worden gehouden met toekomstige natuurwaarden, zoals bes-dragende struiken voor meer vogels of een kikkerpoel op het terrein. Nog meer natuurwinst ontstaat op het moment dat het bedrijf investeert in een nabijgelegen natuurgebied of dat gebied zelfs adopteert. Uiteindelijk geldt: hoe meer natuurmaatregelen je neemt, hoe hoger je BREEAM-score wordt.

De volgende stap is de grondstofketen. ABC denkt voor zijn grondstoffen aan bermgras en aan gras uit natuurgebieden. Natte gewassen zijn voor het bedrijf geen bezwaar. De meubelplaten die hiervan worden gemaakt zien er vrijwel hetzelfde uit als de gangbare platen van houtresten en hebben minstens dezelfde kwaliteit. De platen kunnen in elke hardheid worden geperst, van gruis tot formica-kwaliteit. Daardoor zijn er allerhande toepassingen denkbaar. Natuurlijk speelt de transportafstand van de grondstoffen een rol in de productiekosten. Maar in Drenthe zijn voldoende natuurgebieden die natuurgras kunnen leveren. Dat biedt volgens mij perspectief voor zowel de plaatfabriek als voor de terreinbeherende natuurorganisaties. Door natuurgras of bermgras als grondstof te gebruiken wordt ook stikstof uit het terrein afgevoerd en wordt uitstoot van de broeikasgassen methaan en CO2 door rotting voorkomen.

Het is wel zaak om de oogst en de vermarkting van biomassa uit natuurterreinen te verbeteren. Op dit moment is de logistiek nog nauwelijks georganiseerd, bovendien is de oogst voor natuurbeheerders meestal bijzaak. De kwaliteit laat daardoor veel te wensen over, het wordt in te kleine hoeveelheden aangeboden en dan ook nog eens op het verkeerde moment. ARCADIS denkt er over om de ‘aanbodzijde’ te helpen organiseren. Daardoor verbeteren we de positie van de aanbieders en anticiperen we op de vraag, die zeker gaat toenemen.

Zo blijken meubelplaten via ‘no nett loss’ alles met biodiversiteit te maken te hebben. Het klinkt aantrekkelijk: meubelplaten met respect voor de biodiversiteit en gemaakt van grondstoffen uit Nederlandse natuurgebieden. Daarvoor moet in de bouwwereld toch een flinke nichemarkt bestaan?

Geplaatst in Uncategorized, Cradle to cradle en No nett loss | Getagged , , , , | Reacties staat uit voor Cradle to cradle en No nett loss

Agrarisch natuurbeheer heruitvinden

Agrarisch natuurbeheer ligt onder vuur. Dat is wel vaker zo geweest, maar deze keer is het menens. De resultaten zijn recent geëvalueerd. Wat blijkt? Elk jaar steekt de overheid zo’n € 40 miljoen euro in deze vorm van natuurbeheer waarbij boeren contracten afsluiten voor het beschermen van weidevogels, akkerflora of korenwolven. Over de afgelopen 25 jaar dus ongeveer één miljard euro. Toch is het aantal grutto’s, kieviten en pinksterbloemen op die bedrijven bijna overal net zo hard gedaald als op bedrijven zonder zo’n overeenkomst. In de bureaucratie van de beheerovereenkomsten gaat bovendien 40 procent van het budget verloren aan overhead. En ongeveer de helft van de boeren houdt er na één contractperiode weer mee op, zodat continuïteit ver te zoeken is. De huidige vormen van agrarisch natuurbeheer voldoen dus allerminst. Dat is in Den Haag niet onopgemerkt gebleven. Agrarisch natuurbeheer heeft altijd een sterke lobby  gekend, maar het ziet er naar uit dat deze nu echt op achterstand staat.

Grutto agrarisch natuurgebiedDe adviesraad voor de leefomgeving RLI constateerde in zijn rapport ‘Onbeperkt houdbaar’ dat er maar twee voorbeelden zijn waar agrarisch natuurbeheer aantoonbaar succes heeft: het beheer van kiekendieven in Oost-Groningen en dat van hamsters (‘korenwolven’) in Zuid-Limburg. Vormen waar boeren en vrijwilligers met creativiteit mikken op één soort of één soortgroep. De doelen zijn hier helder en mede daardoor wordt er stelselmatig gewerkt aan steeds effectievere maatregelen. Andere conclusies van deze adviesraad: botanisch beheer leidt niet tot meer bijzondere soorten en weidevogels profiteren alleen als er in de buurt een natuurreservaat is dat als kerngebied functioneert. Weidevogelbeheer werkt ook alleen als de waterstand hoog genoeg is, hoger dan in de landbouw gebruikelijk. En ten slotte: agrarisch natuurbeheer werkt alleen als er een gebiedscoördinator is die met de boeren voor maatwerk kan zorgen.

Den Haag ziet in het agrarisch natuurbeheer nu al snel een bezuinigingspost, maar zo ver wil ik niet gaan. Agrarisch natuurbeheer kan wel degelijk een nuttige rol vervullen. Maar ze moet wel grondig worden hervormd. Agrarisch natuurbeheer 2.0.

Wat moet blijven is de aandacht voor de natuur van akkers en graslanden, de weidevogels voorop. Wat ook moet blijven is de inzet van veel gemotiveerde boeren, die met hart en ziel werken aan de natuur op hun bedrijf, en van de vele vrijwilligers die hen daarbij helpen. Wel kunnen er nogal wat niet-effectieve onderdelen worden afgeschaft. Botanisch beheer op boerenland heeft geen meerwaarde en kan dus wel weg. Hetzelfde geldt voor weidevogelbeheer op de hogere zandgronden en ineffectieve vormen van weidevogelbeheer als nestbescherming en uitgestelde maaidata. Ze werken niet zo lang de rest van de agrarische productie zo intensief is dat er nauwelijks jongen de eindstreep van volwassenheid halen. Weidevogelbeheer zou alleen nog steun moeten krijgen in regio’s waar gezonde weidevogelpopulaties een kans maken. Waar voldoende jongen worden voortgebracht om de populatie in stand te houden. Die kansen liggen vooral in het lage deel van Friesland, de Eempolders, Noord-Holland-midden en het Groene Hart. De overheidssteun zou vooral naar deze ‘kerngebieden’ moeten gaan. Hogere waterpeilen zouden deel uit moeten maken van ieder beheerpakket dat hier op weidevogels is gericht.

Een ander belangrijke bouwsteen is dat uitsluitend collectief georganiseerde boeren mogen deelnemen. Staatssecretaris Dijksma heeft hier al een eerste stap gezet door de subsidie vanaf 2016 te koppelen aan agrarische collectieven. Een stap verder is dat agrarische natuurverenigingen worden verplicht om in de kansrijke gebieden de samenwerking te zoeken met terreinbeherende natuurorganisaties. Het blijkt immers dat de beste resultaten worden gehaald als weidevogelbeheer in natuurgebieden en op boerenland elkaar aanvullen. De natuurgebieden zorgen dan voor voldoende reproductie en het agrarisch natuurbeheer zorgt voor grotere ruimtelijke eenheden en extra voedsel. De samenwerking moet wat mij betreft met een gezamenlijk gebiedsplan en in een gebiedscontract worden bezegeld.

Die samenwerking in collectieven vergt een veel verdergaande vorm van professionalisering. Dat blijkt in de praktijk lastig, omdat boeren doorgaans niet gewend zijn om de regie uit handen te geven. En het is niet voor elke boer vanzelfsprekend om met een natuurorganisatie te gaan samenwerken. Maar professionalisering is nodig om goede resultaten te bereiken en de samenleving te laten zien dat de subsidies verantwoord zijn.

Geen subsidies meer voor weidevogelbeheer op de hogere zandgronden. Maar in het pleistocene deel van Nederland zou er wel meer ruimte moeten zijn voor de gesubsidieerde aanleg en het beheer van landschapselementen, zoals poelen en houtwallen. Ook hier weer op basis van een gebiedscontract met een flink natuurgebied als kern. De adviesraad RLI geeft aan dat het de soortenrijkdom van natuurgebieden flink zou helpen als het omringende gebied voor planten en dieren beter geschikt wordt gemaakt. ‘Het landschap permeabel maken’ noemt de raad dit.

De overheid moet zich alleen op hoofdlijnen bemoeien met de inhoud van de pakketten. Het gaat er juist om dat de collectieven flexibel kunnen opereren en met maatwerk kunnen inspelen op de kansen die zich in een voorjaar in een bepaalde regio voordoen. Uit eigen contacten met de Werkgroep Grauwe Kiekendief weet ik dat dit de sleutel is voor hun succes. Niet alleen voor de grauwe kiekendief, maar tegenwoordig ook voor blauwe kiekendief en velduil.

Aldus ontstaat een nieuwe vorm van agrarisch natuurbeheer. Flexibel, professioneel, effectief en op samenwerking gericht. Daar mag voldoende geld tegenover staan. Het aantal gebieden en deelnemende boeren zal immers kleiner zijn dan nu.

Deze blog is een bewerking van mijn bijdrage als referent aan een bijeenkomst van de Verenigingsraad van Vereniging Natuurmonumenten over agrarisch natuurbeheer en het landelijk gebied, op 3 juli jl.

Geplaatst in Uncategorized, Agrarisch natuurbeheer heruitvinden | Getagged , , , , , | 3 Reacties

Het Bargerveen: waarom ook alweer?

Het predicaat ‘Natura 2000 gebied’ is momenteel de hoogste status die een natuurgebied kan krijgen. Helaas gaat de daadwerkelijke bescherming van deze gebieden gepaard met formats, complexe rekenmodellen en veel jargon. Die soms wel erg formele aanpak versluiert helaas waar het in feite om gaat: herstel van complete ecosystemen waar je als mens van kan genieten. Doen we het voor de beleving van de friszure geur van levend hoogveen of voor zoiets als ‘H7110A’? Bargerveen

Een van mijn meest recente projecten was het opstellen van het Natura 2000 beheerplan voor het Bargerveen. Het Bargerveen is een 2.100 ha groot (hoog)veengebied in de zuidoosthoek van Drenthe, tussen Emmen en Nieuw-Schoonebeek. Nog tot in 1992 hebben hier de graafmachines rondgereden om turf te winnen. Wat overbleef is door de beheerders van Staatsbosbeheer met veel kennis en liefde weer opgebouwd tot een zeer fascinerend natuurgebied.

Het Bargerveen is door Nederland in Brussel aangemeld als Natura 2000 gebied. Doel: hoogveenherstel. Door eerder genomen maatregelen gaat dat de goede kant op: het levende hoogveen breidt zich uit en de kwaliteit van het herstellende hoogveen wordt steeds beter. Het hoogveen blijft echter buitengewoon kwetsbaar. Eén zeer droge zomer en het herstelproject is weer terug bij af. Het beheerplan formuleert dan ook omvangrijke maatregelen die er voor moeten zorgen dat het veen niet meer uitdroogt en op meer plaatsen een kans krijgt. De kans op succesvol hoogveenherstel is gelukkig groot, maar de maatregelen kosten vele miljoenen. De cynici onder ons zullen zich dan ook al snel afvragen: is het dat geld allemaal wel waard?

Mijn antwoord is ondubbelzinnig: ja! De natuurwaarde is groot en ecologisch gezien hoort het Bargerveen gewoon thuis in het Europese natuurnetwerk Natura 2000. Alleen om die reden zijn de maatregelen zinvol. Maar daarbij is wel iets vreemds aan de hand. Door de systematiek van een Natura 2000 beheerplan zijn al die maatregelen verpakt in technisch jargon en vuistdikke, vaak onleesbare beheerplannen. Levend hoogveen heet bijvoorbeeld in de terminologie van de overheid ‘H7110A Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap)’, herstellend hoogveen is ‘H7120’. Met behulp van een computermodel wordt van elk gebied een ‘PAS-gebiedsanalyse’ opgesteld dat enerzijds voorspelt dat de stikstofdepositie in 2030 nog veel te hoog is en dat anderzijds alvast de ontwikkelingsruimte voor agrarische bedrijven voorrekent. Voor elk Natura 2000 gebied worden de te beschermen vegetaties in kaart gebracht in een ongelofelijk langdurig proces dat voortdurend streeft naar absolute perfectie. Er wordt sterk vanuit op zichzelf staande doelen gewerkt. Bijvoorbeeld ‘leefgebied voor 30 paren van het paapje’, terwijl de aantallen van die vogelsoort zich in het Bargerveen al jaren in een vrije val bevinden en de soort er in 2012 al niet meer voorkwam. Beleidsmatig wensdenken dat garant staat voor teleurstellingen. Kortom: inspirerende natuur, doodgeslagen door een weinig inspirerende aanpak.

De beheerplannen komen daardoor meestal niet toe aan waar het echt om gaat: mensen enthousiast maken voor herstel en behoud van bijzondere ecosystemen en leefgebieden voor bijzondere soorten die elders al niet meer voorkomen. Gebieden ook, waar je op grote schaal kunt genieten van die bijzondere natuur.

Neem nogmaals het Bargerveen. Waar twee decennia geleden nog een kwijnend heidegebied lag, ontstaat nu een volstrekt eigen en uniek hoogveenlandschap. Dit landschap is met de weidsheid van een vrijwel boomloos, waterrijk en gebolde ligging, niet te vergelijken met de bossen en heidevelden van de Hondsrug of de Veluwe. Een gebied waar je de friszure geur van hoogveen ruikt en waar je ervaart dat je nauwelijks water ziet terwijl je weet dat de natuur aan je voeten geheel verzadigd is. Waar de wind door je haren blaast en waarvan je thuiskomt met die bijzondere ontmoeting met ree of kiekendief op je netvlies. Dat is waardevolle, ja zelfs onbetaalbare natuur!

Natuurlijk gaat het ook en vooral om onze verantwoordelijkheid voor de bijzondere soorten planten en dieren in het terrein. Er zijn in Europa immers nog maar weinig plekken waar de kenmerkende hoogveensoorten veilig zijn. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis. Immers,  vrijwel alle veen in Noordwest Europa is inmiddels afgegraven. Juist het Bargerveen is groot genoeg is om nog iets te ervaren van het vroegere Bourtanger Moor dat Nederland zoveel rijkdom (en plaatselijk armoe) heeft gebracht. Maar ondanks juridische verplichtingen uit wetten en verdragen en andere technocratische formaliteiten mogen wij niet uit het oog verliezen dat het Bargerveen vooral ook belangrijk is voor mensen. Mensen die van het gebied genieten omdat ze er wonen en werken. Mensen die van heinde en ver komen om vogels of planten te kijken. Mensen die het Bargerveen betrekken in hun fiets- of wandeltocht omdat het gebied zo mooi is.  Mensen die geld besteden  in de omgeving en daarmee  de economie van de regio versterken.

Alle ideële motieven en alle wetgeving ten spijt, natuur beschermen doen we in Nederland vooral voor de mens zelf. Investeringen in de natuur zijn dus op de eerste plaats investeringen in de samenleving; langjarig én duurzaam. De kosten van natuurbescherming zijn relatief beperkt, de immateriële baten daarentegen groot: woongenot, ontspanning, gezondheid, werkgelegenheid en een economische impuls voor de middenstand. Laten we niet vergeten dat het Bargerveen net zo uniek is als de Nachtwacht in het Rijksmuseum. Wat heeft de restauratie daarvan wel niet gekost!

Geplaatst in Het Bargerveen: waarom ook alweer? | Getagged , , , , , | 1 reactie

De natuurmaatregelen van energiegigant RWE

De drie noordelijke Provinciebesturen en de Minister van EZ, hebben de Natuurbeschermingswetvergunning van energiebedrijf RWE (Essent) voor een kolencentrale in de Eemshaven opnieuw bevestigd. De overheden, in de rol van het bevoegd gezag, hebben de bezwaren van  milieuorganisaties in grote lijnen verworpen. Een van de argumenten is dat de RWE voldoende concrete natuurmaatregelen neemt. Welke natuurmaatregelen zijn dat eigenlijk?

RWE-duinherstelproject Hertenbosvallei, Schiermonnikoog

RWE-duinherstelproject Hertenbosvallei, Schiermonnikoog

Als adviseur van RWE heeft ARCADIS op twee onderdelen een rol gespeeld bij deze vergunning. Op de eerste plaats hebben wij de passende beoordeling opgesteld, samen met Buro Bakker uit Assen. Mijn persoonlijke bijdrage daarin was de beoordeling van de gevolgen van de stikstofemissies uit de centrale op de Nederlandse gebieden. Daarnaast heb ik RWE geadviseerd over de keuze en vormgeving van een reeks van natuurprojecten die RWE is gestart. Uit de passende beoordeling blijkt dat de centrale zowel tijdens de bouw, als wanneer deze in bedrijf is op geen enkel natuurgebied een significant effect zal hebben. In het geval van stikstof is een eventueel effect, ook volgens geraadpleegde experts, zelfs niet zichtbaar in de vegetatie en daardoor al helemaal niet meetbaar. Bovendien zijn de hoeveelheden stikstof per hectare zo laag dat deze voor de vegetatie geen fysiologische betekenis hebben. In een vorige ronde is die beoordeling al door de Raad van State goedgekeurd. Juridisch is RWE dus niet tot maatregelen verplicht. Toch wil RWE met deze natuurprojecten op voorhand voorkomen dat er discussie ontstaat over de gevolgen van het ruimtebeslag van de centrale op de Eemshaven of over de (zeer geringe hoeveelheid) stikstof die zij over Noord-Nederland uitspreidt.

Negen projecten hebben betrekking op vogels, met speciale aandacht voor de scholeksters, de velduil en de blauwe kiekendief die ooit – al dan niet onregelmatig – op de Eemshaven hebben gebroed. Sommige daarvan zijn al uitgevoerd, zoals de uitbreiding van het brakwatergebied De Ruidhorn in Noord-Groningen met 50 ha, de uitkoop van de totale garnalenvisserij in de Dollard en de aankoop van 23 ha kwelder (beheerd door Natuurmonumenten). RWE stelt daarnaast de samenwerkende boeren en beheerorganisaties langs de Groninger Noordkust en de Dollard in staat om 250 ha kwelders vogelvriendelijk te beheren. In samenwerking met de Werkgroep Grauwe kiekendief en agrarische natuurverenigingen wordt zo’n 100 ha binnendijks speciaal voor kiekendieven en velduilen beheerd. Tot de nieuwe RWE-projecten behoort ook de aanleg van een tweede brakwatergebied achter de Waddendijk, bij Deikum en te beheren door Het Groninger Landschap. Op Schiermonnikoog wordt in de duinen het biotoop van de blauwe kiekendief hersteld. En bij het Schildmeer laat RWE een 360 ha voormalige akkergrond inrichten als veenmoeras, als afronding van het 1.550 ha grote door Staatsbosbeheer te beheren nieuwe natuurgebied ‘Midden-Groningen’.

Daarnaast is het de inzet van RWE is om een kwaliteitsimpuls te leveren aan alle stikstofgevoelige habitattypen in Noord-Nederland, in totaal op twintig verschillende plekken. Daarvan zijn zeven duinherstelprojecten, twee op Schiermonnikoog en vijf op Ameland. In het Fochteloërveen wordt een groot hoogveenherstelproject uitgevoerd. Naast het Witterveld heeft RWE onlangs 11 ha landbouwgrond aangekocht die als een buffer gaan dienen tegen de invloed van de landbouw. In het Drentsche Aa-gebied is een essentieel perceel aangekocht, waardoor bij Taarlo 120 ha beekdal kan worden ingericht. Er zijn afspraken gemaakt om zowel op het Ballooërveld als in het naastgelegen beekdalletje Smalbroeken heide, zandverstuivingen en graslanden te herstellen. In het Drents-Friese Wold  worden stuifzandachtige vegetaties en enkele vennen verbeterd, in het Mantingerzand het beroemde jeneverbesstruweel aldaar. Ook in Friesland worden in opdracht van RWE projecten uitgevoerd: in de Bakkeveense Duinen, de Alde Feanen, Wijnjeterper Schar en het Van Oordt’s Mersken.

Natuurlijk kan je afvragen of een kolencentrale aan de rand van de Waddenzee een goed idee is. Maar de discussie daarover hoort thuis in het domein van de milieuvergunning en daarvóór nog bij de indertijd gemaakte keuzes over de Nederlandse energiepolitiek. In de Natuurbeschermingswet wordt alleen getoetst of de centrale significante effecten heeft op de natuur. Dat is niet het geval. Bezwaar makende partijen als Greenpeace mogen dan spreken over een ‘ramp voor de natuur’, maar dat is het geenszins. Het effect op vogels is geheel weggenomen met de natuurmaatregelen die al zijn uitgevoerd, terwijl er nog diverse projecten op stapel staan. Ook is de hoeveelheid stikstof die door de natuurmaatregelen uit de terreinen wordt weggehaald vele male groter dan de toename van de depositie in de komende 30 jaar (de levensduur van de centrale). Ten slotte geldt voor alle betrokken Natura 2000 gebieden dat andere ‘draaiknoppen’ veel belangrijker zijn voor het herstel dan het kleine beetje extra stikstof dat vanuit de centrale in de natuurgebieden terecht komt, bijvoorbeeld het herstel van de waterhuishouding.

De RWE-centrale is dus voor de natuur geen ramp. In tegendeel: met negen prachtige vogelprojecten en 20 fantastische stikstofprojecten gaat de natuur er in Noord-Nederland per saldo fors op vooruit. Dat is wat Greenpeace c.s. niet willen horen, maar wat de terreinbeherende organisaties heel goed in de gaten hebben.

Geplaatst in De natuurmaatregelen van energiegigant RWE | Getagged , , , , | 7 Reacties

Nationale databank nu al weer ten einde?

Staatssecretaris Dijksma (Natuur) is aardig bezig. Maar nu heeft ze toch een vreemde beslissing genomen. Zij stopt de bijdrage van het Rijk aan de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Vreemd, voor wie de voorgeschiedenis kent. En een kapitaalsvernietiging bovendien!

SteenuilDe geschiedenis van de NDFF begint zo’n 10 jaar geleden bij de start van de Flora- en faunawet. Vanaf dat moment dienen overheden, projectontwikkelaars, bedrijven en particulieren rekening te houden met beschermde planten en dieren als zij iets willen ontwikkelen. Dat gaf in eerste instantie een hoop trammelant. Zie de quasi-verontwaardigde berichten uit die tijd over nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen die dreigden te stranden vanwege een hamster (‘korenwolf’), kamsalamander of zandhagedis. De toenmalige rijksoverheid probeerde die onrust in ondernemersland te bezweren met een ‘taskforce’ van voormannen uit diezelfde ondernemerswereld en de natuurbeweging.  Mannen als Elco Brinkman van Bouwend Nederland moesten de implementatie van het soortenbeleid gaan begeleiden. Deze taskforce koos voor de verstandige lijn. Het leverde naast rust in de gemeenschap, twee nieuwe fenomenen op: de mogelijkheid om te werken met gedragscodes in plaats van ontheffingsaanvragen én de NDFF.

Weten waar de beschermde soorten zitten was plotseling van groot economisch belang geworden. Missers konden immers leiden tot forse vertragingen bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen en zelfs tot eindeloze rechtszaken. Tot 2006 beschikten alleen de zogeheten ‘particuliere gegevens beherende organisaties’  (PGO’s) over flora- en faunagegevens, maar dat was een sterk versnipperde situatie. Voor vogelgegevens moest je bij de SOVON zijn, voor zoogdieren bij de Zoogdiervereniging en voor zandhagedissen bij de RAVON. Zelfs voor goedwillende ondernemers was dat een vaak onneembare hobbel. De stroomlijning in Het Natuurloket, in feite een front office van de PGO’s, bracht wel enige verbetering maar was ook onwerkbaar door de lange levertijden. Pas door de oprichting van de NDFF ontstond een echte verbetering.   In de Nationale Databank Flora en Fauna, in 2007 opgezet met een startsubsidie van € 20 miljoen euro van het Ministerie van (toen nog) LNV, zijn inmiddels enige tientallen miljoenen flora- en faunagegevens opgeslagen. Het Ministerie draagt nog jaarlijks met € 1 miljoen bij. Tien soortenorganisaties (PGO’s) zorgen met zo’n 17.000 vrijwilligers voor het verzamelen van data en dragen bij aan de ontwikkeling van kwaliteitscontroles. De front office is nu een website, die online te raadplegen is. Per kilometerhok kan je zien welke soorten daar zijn gesignaleerd. Overheden en bedrijven kunnen zich abonneren en daarna vrij zoeken naar gegevens, maar je kan ook per situatie gegevens opvragen. De kwaliteit van de gegevens wordt geborgd door de Gegevensautoriteit Natuur (GaN), in de persoon van de Nijmeegse emeritus-hoogleraar Jan van Groenendael en een kleine staf.

De NDFF werkt nog niet perfect. De meeste gegevens zijn afkomstig van de terreinbeherende natuurorganisaties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Gegevens van buiten de beschermde natuurgebieden zijn veel minder voorhanden. Daardoor bevat de NDFF nog veel kennislacunes en witte vlekken, juist op plaatsen waar ontwikkelaars willen bouwen of uitbreiden. Ook de interpretatie van de gegevens blijft nog een probleem: het feit dat in de NDFF voor een bepaalde plek geen gegevens beschikbaar zijn voor bijvoorbeeld de zwaar beschermde waterspitsmuis wil niet zeggen dat die soort er niet zit. Er is dus regelmatig aanvullend onderzoek nodig. Ook heeft de GaN gekozen voor een ongelukkig verdienmodel. De abonnementen zijn peperduur, waardoor maar weinig (semi-)overheden en bedrijven op de informatie zijn aangesloten. Even een indruk krijgen van de beschermde soorten op een ontwerp van een leidingtracé, met veel kilometerhokken, (wat voorheen bij het Natuurloket nog wel redelijk te doen viel) is vrijwel onbetaalbaar.  Maar toch, de NDFF voldoet redelijk. Voor ons als groen adviesbureau is het vaak de start van een meer nauwkeurig onderzoek. De Gegevensautoriteit werkt hard aan een meer volledige dekking waardoor een steeds betrouwbaarder beeld ontstaat. De kwaliteit van de gegevens en de gebruiksvriendelijkheid worden ook steeds beter. De soortenorganisaties werken eindelijk gestructureerd samen aan een betrouwbare en snelle levering. Het zou zonde zijn als de NDFF nu weer zou verdwijnen. Jan van Groenedael zelf is optimistisch. Sinds de aankondiging van de staatssecretaris zijn er gesprekken gestart met onder meer IPO (Provincies) en VNG (gemeenten). Men verwacht dat er in juni een oplossing ligt.

Laten we hopen dat die poging slaagt. Toch blijft het vreemd dat het Rijk, zelf met onder andere Rijkswaterstaat en ProRail een grote ontwikkelaar, daar niet meer aan mee zou betalen. Mij lijkt dat pure kapitaalsvernietiging in zowel financieel opzicht als qua draagvlak voor het soortenbeleid. Het historisch geheugen van het Ministerie is kennelijk beperkt. Bovendien is het rijk nog altijd als bevoegd gezag eerstverantwoordelijk voor de uitvoering van de Flora- en faunawet. Hoe kan het die functie uitvoeren zonder inzicht in de verspreiding van de soorten die zij zelf bij wet beschermd heeft verklaard?

Geplaatst in Nationale databank nu al weer ten einde? | Getagged , , , | 2 Reacties

Standaardbeesten bestaan niet!

Het Ministerie van Economische Zaken verwachtte bij de inwerkingtreding van de Nieuwe omgevingswet (WABO) een enorme toename aan procedures rond de Flora- en faunawet. Daarom standaardiseerde het van 21 veel voorkomende soorten de ecologische werkprotocollen. Een niet erg geslaagde poging, aldus collega Martijn Stevens.

huismussenWie iets bouwt, aanlegt of sloopt moet er zich sinds 2002 van vergewissen of dat ook gevolgen heeft voor beschermde planten- en diersoorten. Men moet voorkomen dat die soorten daarvan schade ondervinden. Mocht dit niet volledig lukken, dan dient men een ontheffing aan te vragen. Zo staat dat in de Flora- en faunawet, wat mij betreft terecht!

Voorkomen van schade kan door wijziging van het plan, maar vaak ook door specifieke ‘mitigerende’ maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door het aanbieden van vervangende nestgelegenheid. Groene adviesbureaus als de onze hebben in de afgelopen jaren veel kennis opgebouwd over de beste manieren om schade aan beschermde soorten te voorkomen. De praktijk is dat de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken deze voorstellen beoordeelt en op basis daarvan al dan niet een ontheffing afgeeft. Of, als er dankzij de maatregelen geen overtreding wordt begaan, goedkeuring verleent in de vorm van een ‘positieve afwijzing’.

Om de toetsing te vereenvoudigen heeft Dienst Regelingen voor een aantal veel voorkomende soorten protocollen laten opstellen, de zogeheten soortenstandaards. Er zijn nu 21 standaards, onder meer voor soorten als huismus, gierzwaluw, steenuil, das en rugstreeppad. Wie de standaarden volgt, hoeft daarvoor geen ontheffing meer aan te vragen. Wie dat wel doet weet zeker dat daarover in dat geval positief wordt beschikt.

De soortenstandaards zijn goed bedoeld, maar er zitten nog teveel fouten en maatregelen in waarvan het effect nog onbewezen is. Maar dat zijn kinderziektes, die de specialisten met gezamenlijke kennis kunnen verhelpen. Echter, zelfs perfecte soortenstandaards hebben een groot nadeel: ze gaan uit van standaardsituaties. Die komen in de natuur helaas maar weinig voor.

Mijn collega Martijn Stevens, specialist in praktische beschermingsmaatregelen en de Flora- en faunaregels, heeft er een duidelijke mening over: “Standaardregels werken regelmatig averechts. Ze beschermen de soorten onvoldoende en jagen te vaak de opdrachtgevers onnodig op kosten”. Als voorbeeld noemt hij de soortenstandaard voor de huismus die stelt dat bij sloop of renovatie van een dak in de nabijheid nieuwe nestgelegenheid moet worden geboden in de vorm van inmetselkasten of zogeheten ‘vogelvides’, een soort nestkasten voor huismussen. Die zijn duur, passen vaak niet in renovatiedaken en worden niet altijd door de huismussen geaccepteerd. Martijn heeft ruime ervaring met de begeleiding van dakisolatieprogramma’s van woningcorporaties. Om te voorkomen dat huismussen en andere dieren de dakisolatie kapot maken bevestigen aannemers vaak plastic flappen (‘vogelschroot’) aan de eerste panlat van onderen. Daarmee verdwijnt voor de mussen veel broedgelegenheid. Martijn vond uit dat het voor de woningcorporaties meestal geen probleem is als de flappen aan de tweede panlat worden vastgemaakt. Broed- en schuilgelegenheid blijven dan onaangetast en de maatregel is veel goedkoper voor de woningbouwers. Mussen gered en iedereen blij!

Als tweede voorbeeld noemt Martijn zijn advisering bij de renovatie van de Pastoor van Arskerk in Eindhoven. De zolder, kelder en de muren van de kerk bleken een eldorado voor verschillende vleermuizen. Wie de soortenstandaards volgt zou hier minstens vier nieuwe (tijdelijke) verblijfplaatsen moeten aanbrengen in de vorm van “platte vleermuiskasten en/of plaatvormige voorzieningen”. Maar die ‘inmetselkasten’ werken volgens Martijn helemaal niet als vervanging voor een groot zolderverblijf. Het duurt maanden en soms jaren voordat de vleermuizen daar intrekken. In de tussentijd zou de kerkzolder volgens de desbetreffende soortenstandaard voor de vleermuizen verloren zijn gegaan, met de zegen van het Ministerie. Gelukkig voor de vleermuizen in de Van Arskerk is dat niet gebeurd. Martijn bedacht zijn eigen maatregelen en die werken prima. De vleermuizen zijn nooit uit de kerk weggeweest en de klant heeft zijn project kunnen realiseren. Martijn pleit dan ook hartstochtelijk voor voldoende ruimte voor maatwerk. Terecht, lijkt mij.

Er zijn ook andere, meer principiële problemen met soortenstandaards. De standaards zijn checklists, die door elke initiatiefnemer kunnen worden gebruikt om zijn of haar project ‘Flora- en faunawetbestendig’ te maken. Ook als die initiatiefnemer geen enkel zicht heeft op de ecologie van de desbetreffende diersoort. Goed bedoeld kunnen er dus grote fouten worden gemaakt. Bovendien is controle op de juiste toepassing afwezig. En omdat bij gebruik van de standaards meestal geen ontheffing meer hoeft te worden aangevraagd is elk zicht op de naleving van de wet afwezig. Voor zover de aanvragen nog wel worden ingediend  gebeurt de toetsing bij de Dienst Regelingen vooral door juristen die, veelal zonder ecologische kennis, uitsluitend controleren of de standaards zijn nageleefd.

De soortenstandaards zijn bovendien uitgebracht als officiële uitgaven van het Ministerie van Economische Zaken. Daardoor hebben de standaards een zekere juridische betekenis. Rechters zullen de standaards zwaar laten wegen. Dat betekent dat ecologisch maatwerk als afwijkingen van de standaards moeten worden getoetst en gemotiveerd, iets waar door jurisprudentie steeds extremere eisen aan worden gesteld. Wie de soortenstandaards gebruikt hoeft dat allemaal niet, zelfs als duidelijk is dat de standaards in die situatie helemaal niet werken. Een initiatiefnemer zal zich dus wel twee keer bedenken voordat hij voor ‘maatwerk’ kiest. Dat kan toch allemaal niet de bedoeling van de Flora- en faunawet zijn?

We moeten dus anders omgaan met de soortenstandaards. Mijn pleidooi is: biedt meer ruimte voor maatwerk en beoordeel bij de ontheffingaanvragen niet of er strikt naar de letter, maar vooral of er naar de geest is gewerkt. En laat de toetsing over aan de ecologen, niet aan de boekhouders!

Geplaatst in Standaardbeesten bestaan niet! | Getagged , , , , , , | 3 Reacties

Zoeken naar duurzaamheid

Veel bedrijven zetten zich tegenwoordig inOp de fiets naar het werk voor duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Ook ons bedrijf. In 2006 werd ik geïnterviewd door ons personeelsblad ‘Salamander’. Mijn stelling was toen dat er op het punt van duurzaamheid nog veel te winnen viel voor een bedrijf dat zich zo prominent met adviezen op de milieumarkt begeeft. De reactie van de directie was tekenend voor die tijd. Men vond dat ik wel een punt had maar het ook te somber inzag. Er was namelijk al het plan opgevat om voor duurzaamheid en MVO een taakgroep in te stellen. En of ik daaraan wilde deelnemen. Natuurlijk wilde ik dat. Een half jaar later leverden wij ons advies. Dit advies: “We moeten meten wat ons milieuverbruik is en duurzaamheid structureel in onze organisatie inbedden” werd niet gelijk door de directie omarmd. Hun reactie: “Duurzaamheid moet van onderop komen. Duurzaam is prima, maar iedereen moet dat gewoon doen!”.

Nog geen jaar later waren duurzaamheid en MVO wél structureel in onze organisatie ingebed. Ze vormen nu samen één van de vier doelstellingen van ons bedrijf, ook internationaal. We willen op dit terrein met afstand koploper zijn. We meten en weten nu wat we aan milieubelasting veroorzaken en leggen dat jaarlijks vast in een milieujaarverslag. In Nederland is er niet alleen een coördinator, elke divisie heeft een team dat de duurzaamheid in eigen gelederen stimuleert. De directie enthousiasmeert én faciliteert deze transitie volop. Ja, in een paar jaar kan er veel veranderen!

Ons reisgedrag en het energieverbruik van onze kantoren zijn de grootste belasters van het milieu. Op beide hoofdthema’s lopen op bedrijfsniveau uitgebreide besparingsprogramma’s. Kleinere programma’s zijn er voor afvalscheiding, catering en schoonmaakmiddelen. Enkele voorbeelden: iedere werknemer heeft een NS-businesscard, de aanschaf van milieuschadelijke leaseauto’s wordt door bijtellingen ontmoedigd. Kantoren worden energiezuinig gemaakt en verhuizen zelfs naar de omgeving van stations (Zwolle, Den Bosch). Onze laptops zijn zuinig afgesteld. De verlichting werkt overal op bewegingssensoren. Er zijn uitgebreide voorlichtings- en implementatieprogramma’s. Duurzaamheid in het dagelijkse werk wordt besproken in onze beoordelingsgesprekken, net als veiligheid en gezondheid. We zijn trots op waar we staan. Maar laten het daar niet bij: we laten ook onze klanten delen in onze ervaringen en aanpak, zodat ook zij er hun voordeel mee kunnen doen. En daar wordt enthousiast op gereageerd. Onze klanten stellen dit op prijs en een groeiend aantal vraagt ons om onze systematiek naar hun business te vertalen.

Ook in mijn eigen ecologenteam willen we natuurlijk niet achterblijven. Natuurlijk doen we mee aan de programma’s die het bedrijf aanbiedt. Toch willen wij er graag een stapje bovenop doen. Maar hoe doe je dat als je belangrijkste hulpmiddelen bestaan uit verrekijker, batdetector, laptop, pen en papier? Wij belegden er een brainstorm over met als belangrijkste ingangen: ons eigen milieugedrag op het werk, onze adviezen en ons aandeel in MVO.

Om met het eerste te beginnen: ook voor ons geldt dat wij ons reisgedrag verder kunnen verbeteren. Vaker lange afstanden per trein, het navervoer met de OV-fiets. Zelf heb ik goede ervaringen met Greenwheels, die je bij ons kunt boeken via de NS-businesscard. Eerst met de trein naar Groningen en daarna met zo’n huurauto naar de bespreking in het Lauwersmeer. Mínder reizen kan ook. Elk kantoor heeft tegenwoordig een videoruimte en op elke laptop is software voor vergaderen via internet geïnstalleerd. Zo kan je vanuit een ander kantoor of vanuit je eigen huis deelnemen aan een overleg. We gaan dat vaker doen, ook met klanten als zij daarvoor de software hebben. Zelfs onze maandelijkse teamvergaderingen doen we tegenwoordig vanuit verschillende kantoren per internet. Werkt prima! Vaker thuis werken en onze rapporten uitsluitend digitaal opleveren zijn evenzeer milieumaatregelen die we vaker gaan nemen.

En natuurlijk besteden we in onze adviezen aandacht aan duurzaamheid. De adviezen van ons ecologieteam gingen altijd al over schade aan natuur en kansen voor biodiversiteit. Maar ook in een eenvoudige natuurtoets of een ontwerp voor een weg of een gebouw kunnen we wijzen op de andere duurzaamheidsaspecten van ons advies. Kansen voor de natuur, natuurvriendelijke materialen toepassen, investeren in nieuwe natuur. Of in een beheerplan voor een natuurgebied wijzen op mogelijkheden om minder te slepen met grond of machines met minder roetuitstoot te gebruiken. We gaan dat vaker doen, zo spraken wij af. Voor klanten betekent het dat zij in een vroeger stadium op het spoor van duurzaamheid worden gezet. Dat scheelt kosten en bevordert de milieukwaliteit van de projecten.

Ten slotte onze bijdrage aan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tal van collega’s zijn al jaren zeer actief binnen het biodiversiteitsinitiatief van Leaders for Nature. We zetten onze  kennis over flora en fauna in voor de bescherming van vleermuizen, voor het tellen van bruinvissen of voor groene lokale burgerinitiatieven. We werken mee aan projecten van de KNHM, een met ARCADIS verbonden ideële instelling die zich inzet voor leefbaarheid en burgerparticipatie. Het is goed om te beseffen dat we met onze kennis (en die van onze klanten) maatschappelijk veel kunnen betekenen.

Duurzaam bezig zijn is vooral een zoektocht. Langzamerhand krijgen wij een beter beeld van wat je als organisatie, maar ook als individuele medewerker kunt bijdragen aan duurzaamheid en biodiversiteit. En dat zie je terug in de opdrachten en projecten die we doen. Het resultaat is inspirerend en we zien dat onze klanten dat op prijs stellen. Maar dat maakt ook hongerig naar de ervaringen van anderen die hun bedrijf of organisatie willen verduurzamen. Want ook wij willen ons graag door anderen laten inspireren. Laat het me weten!

Geplaatst in Zoeken naar duurzaamheid | Getagged , | Reacties staat uit voor Zoeken naar duurzaamheid