Olie in het Zwin: wie betaalt de schade?

Kort geleden botsten twee schepen voor de monding van de Westerschelde. De opvarenden werden gered, maar uit een van de wrakken stroomde olie. Gelukkig wist de Belgische regering (het ongeluk gebeurde in Belgische wateren) te voorkomen dat de olie het Belgisch-Nederlandse Natura 2000-gebied Het Zwin bereikte. Was dat wel gebeurd, dan was de ecologische ramp niet te overzien geweest. Helaas komen calamiteiten in natuurgebieden vaker voor.

Een paar jaar geleden was er bijvoorbeeld een olielekkage in het Duitse Ambstvenn, een natuurgebied direct over de grens bij Enschede en pal naast het Nederlandse Aamsveen. Waar die olie vandaan kwam was eerst onduidelijk, maar uiteindelijk bleek het om zware olie te gaan uit een opslag kilometers diep onder de grond in een oude zoutcaverne. Het duurde veertien dagen voordat het lek was gedicht. In het natuurgebied moesten enorme putten worden gegraven en vele duizenden kubieke meters grond worden afgevoerd. Een ander voorbeeld is de brand bij Chemie-pack op het industriegebied van Moerdijk in 2011.  Hier liepen duizenden liters vervuild bluswater in het oppervlaktewater en dreef er een chemische cocktail over de Natura 2000-gebieden Hollands Diep en het Oudeland van Strijen.

Foto: Jürgen Peperhowe
Foto: Jürgen Peperhowe

Milieurampen in natuurgebieden komen dus met enige regelmaat voor. Er is daarom alle reden voor bedrijven om nu alvast de potentiële schade aan natuurgebieden in beeld brengen. En als ze daarop anticiperen door de kans op een milieuramp in natuurgebieden te minimaliseren. Door goed risicomanagement, regelmatige controles, de juiste voorzorgsmaatregelen of door er bij nieuwvestiging uit de buurt te blijven. Maar bedrijven hebben, zoals gezegd, ook een goede financiële reden om schade aan natuurgebieden te voorkomen: verontreiniging van natuurgebieden kan hen veel geld gaan kosten. Al sinds 2004 geldt in de Europese Unie de Environmental Liability Directive (ELD), vrij te vertalen als de Milieuaansprakelijkheidsrichtlijn. Nederland heeft de richtlijn geïmplementeerd in de Wet Milieubeheer (Artikel 17). In aanvulling op eerdere EU-wetgeving over watervervuiling en bodemverontreiniging, legt deze richtlijn de aansprakelijkheid voor schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, ook wel aangeduid als schade aan de biodiversiteit, bij de veroorzaker. Bedrijven zijn er aan gewend dat zij voor de kosten van het opruimen van vervuiling opdraaien, maar daar komen nu ook de kosten van natuurherstel bij. Ook zijn bedrijven verplicht om preventieve maatregelen te nemen om de kans op milieuschade in beschermde natuurgebieden te voorkomen. Er is maar weinig bekendheid aan dit artikel gegeven en de meeste bedrijven weten dit niet.

In de praktijk betekent dit dat een ongeluk of milieuramp flinke schade in natuurgebieden kan veroorzaken, bijvoorbeeld aan de vegetatie en het grond- en oppervlaktewater. Zo’n rampplek zal voor veel organismen als leefgebied ongeschikt raken. Ook het opruimen zelf zal schade met zich brengen in de zin van directe schade en verstoring. Maar de grootste kostenpost is wel de verplichting om de natuur weer in de oude staat terug te brengen. Dat betekent dat vegetaties en populaties volledig moeten worden hersteld, dus inclusief de kwaliteit die deze hadden. Omdat volledig herstel vaak niet mogelijk is, betekent dit dat een compleet nieuw natuurgebied moet worden ingericht, met een forse overcompensatie om het kwaliteitsverlies te nivelleren. Er is dus voor dit bedrijf alle reden om de veiligheidsmaatregelen nog eens onder de loep te nemen. Voorkomen is immers beter dan genezen.

Ook de verzekeraars kennen inmiddels de EU-richtlijn. Ze beginnen te beseffen dat er in het verzekeringsstelsel een forse lacune zit: grote financiële risico’s die onvoldoende door verzekeringsinstrumenten zijn afgedekt. Maar veel vaart zit er nog niet in. Er zijn nog geen claims en evenmin zijn er gesprekken over het voorkomen en afdekken van dergelijke milieurisico’s. Is er voldoende nagedacht over de gevolgen van een incident in de nabijgelegen natuurgebieden? Zijn de rampenplannen voldoende toegesneden op het voorkomen van schade aan de natuur? En is het bedrijf in staat om de exceptionele kosten van natuurherstel te betalen? Of is de kans op faillissement groot, waarna de samenleving voor de kosten opdraait? Omdat preventie hier het sleutelwoord is, zou het goed zijn als overheden, water- en terreinbeheerders én verzekeraars de discussie aangaan met bedrijven die een risico vormen voor natuurgebieden. Desnoods met artikel 17 van de Wet milieubeheer in de hand! Als dit niet gebeurt dan loopt de natuur nog steeds onnodige risico’s en blijft het onzeker wie voor eventuele schades moet opdraaien. Natuurlijk geldt hier in eerste instantie: de vervuiler betaalt, maar gaat dat wel gebeuren? We moeten voorkomen dat zowel de natuur als de belastingbetaler bij komende rampen de klos zijn.

Dit bericht is geplaatst in Olie in het Zwin: wie betaalt de schade? met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

1 Reactie op Olie in het Zwin: wie betaalt de schade?

  1. Jako schreef:

    De natuur is niet alleen bij grote milieurampen de klos, dat is ze ook bij kleine en vooral door: sluipende. Pas was ik vogels aan het filmen op de Philipsdam, hing er een heliumballon in de struiken. ‘Happy birthday’. Als overheid én samenleving zich eens zouden bezinnen op het nut en de nadelen van dit soort artikelen om ze vervolgens te verbieden, dan zijn we op dit punt ook een stukje verder. Ik vrees dat financiële belangen een belangrijke hindernis vormen bij het tegengaan van kleine en grote milieurampen.

    groeten,
    Jako

Reacties zijn gesloten.