Bleker’s Natuurwet is zo slecht nog niet

Bleker’s laatste ontwerp van de Wet Natuur pakt aanzienlijk gunstiger uit dan de veel bekritiseerde versie uit oktober. Of Bleker’s Natuurwet het politieke geweld in Den Haag overleeft is nog niet bekend natuurlijk, maar  in de nieuwste versie staat bescherming weer voorop. Dat kon je van het vorige ontwerp zeker niet zeggen. In het nieuwe ontwerp komt het wel heel erg aan op een goede handhaving. En was dat nu niet net het zwakke punt van de huidige wetten?

De nieuwe ontwerpversie is dus aanzienlijk beter dan de vorige. Hoe ik dat weet? In overheidskringen circuleert een notitie van het Ministerie van EL&I waarin de belangrijkste wijzigingen staan beschreven tussen de  oktoberversie en het nog niet gepubliceerde wetsontwerp dat onlangs aan de Raad van State is toegezonden. In deze blog beschrijf ik een aantal hoofdlijnen, zoals deze uit de ambtelijke notitie blijken.

De eerste hoofdlijn is dat de nieuwe Wet Natuur vrijwel letterlijk dezelfde bescherming biedt aan vogels en zogeheten Bijlage IV soorten als de huidige Flora- en faunawet. Dat kan ook niet anders, want Nederland moet nu eenmaal voldoen aan de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Vleermuizen bijvoorbeeld, maar ook rugstreeppad, waterspitsmuis, korenwolf, zandhagedis, kamsalamander en steenuil blijven op de zelfde manier beschermd als voorheen. Dat zijn precies de soorten waar nu in ruimtelijke procedures de meeste discussie over is. Daar zal dus weinig aan veranderen.

Eerder bezwaar tegen de oktoberversie was dat deze voor alle overige soorten alles toestond, behalve het doden. Je mocht bijvoorbeeld wel een dassenburcht vernietigen, als je het dier zelf maar in leven liet. In het nieuwe wetsvoorstel is dat niet meer mogelijk, al is de constructie anders dan in de huidige wetgeving. Naast het verbod om te doden, geldt nu ook de zorgplicht. Waar deze in de Flora- en faunawet nog als een machteloos artikel was opgenomen, is deze in de nieuwe wet krachtiger uitgewerkt. Er komt een lijst van soorten waarbij alleen schadelijke handelingen mogen worden uitgevoerd als deze bij het bevoegd gezag (meestal de Provincie) zijn gemeld. Zonder melding is men dus altijd strafbaar. Provincies krijg een aanschrijvingsbevoegdheid, mogen het werk stilleggen en dwangsommen opleggen. Ook moeten de handelingen een in de wet gedefinieerd belang dienen, bijvoorbeeld: er moet een dringende reden van groot openbaar belang zijn. Maar of dit in de praktijk gaat werken, is absoluut de vraag. Handhaving is niet het sterkste punt van de overheid. Veel zal afhangen van natuur- en milieuactivisten die de overheid hier bij de les houden.

Interessant is ook de ontwerplijst die nu circuleert. Die doet in omvang nauwelijks onder dan de huidige ‘tabel-2 en -3 lijsten’. In de nieuwe conceptlijst ontbreekt een aantal soorten, waaronder de kleine modderkruiper, de jeneverbes en een reeks van orchideeën. Maar daar staat tegenover dat nu ook veel, vroeger onbeschermde, rode lijstsoorten zijn opgenomen, waaronder een groot aantal planten, dagvlinders en libellen. Op de lijst staan nu ook weer veel tabel-1 soorten, zoals mol, veldmuis en bruine kikker. Omdat de Provincies het recht krijgen om deze lijsten aan te passen, verwacht ik dat we straks twaalf provinciale lijsten krijgen met, net zoals nu, drie beschermingsregimes: nauwelijks, licht en strikt beschermd.

In de nieuwe wet worden ‘Beschermde natuurmonumenten’ niet langer beschermd als deze niet samenvallen met een Natura 2000 gebied. Dat was in de oktoberversie ook al zo. Volgens de natuurorganisaties verliezen veel gebieden daarmee hun beschermde status. Maar de vraag is of dat waar is. Dit wetsvoorstel legt de verantwoordelijkheid voor de beschermde natuurmonumenten neer bij de Provincies. In de afgelopen jaren zijn deze al verantwoordelijk gemaakt voor de EHS en er zijn maar weinig beschermde natuurmonumenten die niet in de EHS liggen. Het is dus niet zo dat de bescherming voor deze gebieden per definitie vervalt, maar het zal nu meer op de Provincies aankomen wat er mee gebeurt. Of dit een achteruitgang is waag ik te betwijfelen. De meeste Provincies betonen op dit moment meer verantwoordelijkheid voor de natuur dan de rijksoverheid. Het Rijk acht zich nog wel verantwoordelijk voor de Natura 2000 gebieden. De wetgeving verandert op dit punt nagenoeg niet. Dat kan ook niet anders, want ook dit deel is gebaseerd op Europese verplichtingen.

Alles overziend is het beeld dus dat zowel soorten als gebieden over de hele linie op papier redelijk beschermd blijven, niet veel minder dan nu. Wel zal het beschermingsregime voortaan per provincie gaan verschillen. Ook hangt het succes door het meldingenstelsel wel  heel erg af van de alertheid van burgers om de overheid aan te spreken en op de handhaving door (vooral) de Provincie. En juist handhaving was tot nu toe altijd het zwakke punt in de natuurwetgeving. En met straks onbetaalbare griffierechten wordt een goede bescherming echt een illusie.  Nu maar afwachten wat er met Bleker’s Natuurwet gaat gebeuren. Met de val van Kabinet Rutte ligt het voor de hand dat de nieuwe Natuurwet voorlopig niet in procedure komt en mogelijk zelfs nooit wordt ingediend.

PS. Voor deze blog heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de research die enkele van mijn collega’s op dit onderwerp hebben verricht.

Posted in Bleker's Natuurwet is zo slecht nog niet | Tagged , , | 2 Comments

Gemeentelijk natuurbeleid: niet zonder hobbels

Zutphen koos vorig jaar de weidegeelster als ambassadeurssoort voor een beter beheer van het gemeentelijk groen. Een mooi gebaar.  Maar de praktijk laat zien dat gemeentelijk natuurbeleid coördinatie en inzicht vergt en niet zonder hobbels verloopt.

De weidegeelster is een onbekend maar zeer Nederlands bolgewasje, dat vooral voorkomt in het IJsseldal. Het bloeit in deze tijd van het jaar: eind maart, begin april. Het kleine plantje hoort van nature thuis in droge rivierduingraslanden. Dergelijke standplaatsen zijn in Nederland uitermate zeldzaam geworden. De gele sterretjes groeien echter ook op oude stadswallen, begraafplaatsen en in bermen in de oude steden langs de IJssel. Eigenlijk alleen op deze plaatsen komt de soort nog in behoorlijke aantallen voor. Daarom riep Zutphen vorig jaar de weidegeelster uit tot ambassadeurssoort. Zutphen is mijn woonplaats, althans ik woon in een aanpalend dorp binnen die gemeente. Een deel van mijn vrije tijd steek ik in ‘groene acties’ rond de gemeentepolitiek. Daarom heb ik dat uitroepen van nabij meegemaakt en voor een deel zelfs mede in gang gezet.

Het verhaal van de weidegeelster begint in 2010. Twee actieve natuurbeschermers in Zutphen, André Jansen en Guido Nijland, zagen dat een aannemer met zwaar materieel in de weer was vlak bij een mooie groeiplaats van de weidegeelster. Telefonisch overleg met de gemeente leerde dat er op die plek een nieuw verbindingskanaaltje zou worden gegraven. Daarvoor moest ook een aantal bomen worden gekapt. André en Guido regelden een aanhangwagen en groeven uit voorzorg honderden bolletjes uit. De bolletjes werden in hun eigen tuinen tijdelijk in depot gezet. Het scheelde maar weinig of ze waren daarbij door de politie op de bon geslingerd.

In 2011, het kanaaltje was nu klaar, besloten we met onze ‘Groengroep’ de weidegeelsterren demonstratief terug te planten. De actie werd aangegrepen om de gemeente te vragen voortaan de bijzondere natuurwaarden beter te beschermen en om  de weidegeelster, zo typisch voor Zutphen, tot ambassadeurssoort te benoemen. Door de weidegeelster als ambassadeurssoort aan te wijzen hoopten wij dat de gemeente zich mede verantwoordelijk zou voelen. Daarom werd de wethouder uitgenodigd om de eerste bol te plaatsen. Die nam de uitnodiging graag aan. Persbericht geschreven, stuk in de krant, journalist en fotograaf erbij. De wethouder kweet zich van zijn taak, zegde toe dat hij het voorstel voor een ambassadeurssoort zou voorleggen aan het College, de voorjaarszon deed zijn best en het werd een gezellige bijeenkomst.  Samen plantten we honderden bolletjes terug.

Maar nog geen tien dagen later bleek dat de weidegeelsterren onder minstens twintig centimeter zand waren bedolven: de aannemer was nog even terug geweest om zijn werk af te maken! Natuurlijk hingen André en Guido onmiddellijk aan de lijn bij de wethouder. Die bood zijn excuses aan, maar gaf ook aan dat hij dit niet wist. De aannemer kon op last van de wethouder opnieuw terugkomen, nu om onder regie van André Jansen het zand weer weg te halen. Echter: maart 2012 staan er opnieuw zware bandensporen op deze groeiplek en zijn er maar weinig bolletjes opgekomen.

De gang van zaken rond de weidegeelsterren was voor ons aanleiding om met een aantal natuurspecialisten onder de inwoners van Zutphen natuurkaarten te maken. De kaarten geven de gemeente inzicht in de gebieden met de bijzondere soorten en de grootste biodiversiteit. Weten waar de bijzondere soorten voorkomen is immers de basis van een goed gemeentelijk natuurbeleid. Van de meeste groepen: vogels, planten, bomen, paddenstoelen, sprinkhanen et cetera hebben we nu zo’n conceptkaart. De gemeente is er blij mee. Maar alleen inzicht in de natuurwaarden is niet genoeg. Daarom proberen wij met de wethouder afspraken te maken over het gebruik van de kaarten. Juist bij gebrek aan afstemming en commitment kan er veel mis gaan. Een prachtige groeiplek van weidegeelsterren kan door onachtzaamheid of onkunde zo maar verdwenen zijn.

De wethouder in kwestie wil wel. Maar hij ziet zich voor de moeilijke taak geplaatst van een cultuurverandering in zijn organisatie. Projectleiders beheer en onderhoud en de projectleiders verantwoordelijk voor nieuwe projecten moeten nu plotseling rekening gaan houden met groeiplaatsen van bijzondere planten, vogelkolonies en vliegroutes van vleermuizen. Dat mag geen vrijblijvende actie zijn, maar moet om ongelukken te voorkomen structureel worden ingebouwd in de werkwijze van de gemeente. Voorwaar geen eenvoudige taak, maar wel essentieel! Met de kaarten hebben wij de noodzakelijke kennis aangereikt. Geen ambtenaar kan zeggen: “ik wist het niet”.

PS. de actie om per gemeente een ambassadeursoort te benoemen komt voort uit het Biodiversiteitsjaar 2010 van de Verenigde Naties. Naast Zutphen hebben ook enkele tientallen andere gemeenten dat gedaan. Zo heeft Nuenen de das aangewezen als ambassadeurssoort, Delft de gierzwaluw en buurgemeente Brummen de knoflookpad[1]. Met de ambassadeurssoorten vraagt de initiatiefnemer, het IUCN, aandacht voor de lokale betrokkenheid bij de natuurbescherming.


[1] Zie voor een volledige lijst www.ambassadeurssoorten.nl

Posted in Gemeentelijk natuurbeleid: niet zonder hobbels | Tagged , , | 3 Comments

Woud aan de Waddenrand

De Friese en Groninger kleigebieden zijn mooi en kaal. Lange dijken, pootaardappels, graan en suikerbieten. Alleen rond de eenzame boerderijen wat bomen  in een overwegend leeg landschap. Dat is zoals wij de randen van de Waddenzee kennen. Maar ooit was dat anders. Bos groeide tot aan de rand van de Waddenzee. En ook nu zou het bos er kunnen terugkeren. In het Lauwersmeer bijvoorbeeld.

In 2003 schreef ik, samen met collega Max Klasberg, het Beheer- en inrichtingsplan voor het Nationaal Park Lauwersmeer. in opdracht van het Overlegorgaan. In 2011 vroeg datzelfde Overlegorgaan ons om de ontwikkelingen sindsdien te evalueren.  Vogels, planten, recreatieontwikkelingen, draagvlak bij de politiek en de kwaliteit van de bestuurlijke samenwerking, ze kwamen alle aan bod. Een mooie klus, te meer daar er heel wat gespreksstof uit voortkwam. Ik pik er één thema uit: de ‘verbossing’ van het Lauwersmeer.

In 2003 voorspelden wij, overigens in navolging van andere gebiedskenners, dat de voormalige zandbanken van de vroegere Lauwerszee langzaam met bos zouden dichtgroeien. Het waterbeheer was met een vast peil van – 0,93 m beneden NAP te statisch om dat te verhinderen. Om bomen en struiken tegen te gaan is af en toe een forse overstroming nodig, liefst met zout water. Maar in 2003 werd vooral de openheid en de vogelrijkdom die daar bij hoorden op prijs gesteld. Bos werd daarom in het Lauwersmeer minder gewenst geacht.

Anno 2012 is het peilbeheer nog even constant als in 2003. Het is dan ook niet vreemd dat wij in onze evaluatie moesten vaststellen dat de vegetatie inderdaad verruigt en dat het bos oprukt. Eén van onze aanbevelingen  in de evaluatie is dan ook om nog eens goed na te denken over de koers voor dit gebied. Daarom hebben wij het Overlegorgaan voorgesteld om op een aantal goed gekozen plekken te accepteren dat de successie eindigt in bos. Dat is geen pleidooi om het huidige vaste peilbeheer maar te accepteren, integendeel. Wel ben ik van mening dat wij in 2003 te negatief over bosvorming in het Lauwersmeer hebben geoordeeld, en met ons ook vele anderen. Bos in het Lauwersmeer (ik bedoel geen aangeplant bos, maar natuurlijk, spontaan ontwikkeld bos) heeft namelijk ook mooie kanten. Juist ook voor vogels.

Want wie de blik naar het oosten wendt, ziet dat bos in riviermondingen er van nature thuis hoort en zelfs bijzonder interessant kan zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de moerasbossen in de Oderdelta, op de grens van Duitsland en Polen. Of naar de rivierdelta’s in de Baltische staten zoals de Nemunasdelta op de grens van de Russische enclave en Litouwen. Prachtige gebieden, die qua uitgangssituatie redelijk met het Lauwersmeer te vergelijken zijn. Zij laten zien hoe mooi natuurlijk bos ‘past’ in de wereld van een estuarium en het intergetijdengebied van ‘binnenzeeën’ als Waddenzee en Oostzee.

De Oderdelta en de Nemunasdelta kenmerken zich door een uitgestrekt mozaïek van nat en droog bos, rietlanden en door vee, herten en reeën begraasd grasland. Door een wisselend waterpeil zijn er gradiënten in het bos van zeer nat tot permanent droog. In de grotere boskernen komen otters, bevers en edelherten op grote schaal voor, naast vogelsoorten als kraanvogel, lepelaar, wielewaal, appelvink, fluiter, zwarte specht en witrugspecht. In  het zware geboomte broeden visarend, zeearend en zwarte ooievaar.  Op de droogste delen hebben dassen hun burchten. Op nattere plekken groeien riet en lisdodde, met onder andere baardmannetjes en rietgorzen. Aan de randen liggen uitgestrekte rietkragen met alle rietvogels die daar bij horen.  Waar het vee zich concentreert is het landschap door begrazing meer parkachtig, met een afwisseling van grasland, prikkelstruiken, hoog gras en jonge boompjes. Dit is het terrein van de blauwborst en de grauwe klauwier.  En op de wat grotere open stukken de kwartelkoning. De soorten profiteren van een rijk en deels begraasd bos, veroorzaakt door de rijke grond die een riviermonding eigen is. Voor vis-, vlees- en aaseters bieden de grote wateroppervlakten en de grote aantallen vissen, ganzen en eenden een tafeltje-dekje.

Bosmozaïek in de estuaria van de Waddenzee. Waarom zou dit op termijn niet ook in het Lauwersmeergebied kunnen?  Toegegeven, kraanvogels en witrugspechten zijn misschien wat minder waarschijnlijk, maar niet eens uitgesloten. De andere soorten zijn met wat geduld zeker mogelijk, de zeearenden zijn er al. Natuurlijk zijn er vóór de grote ontginningen van de Middeleeuwen langs de Lauwers en het Reitdiep ook dergelijke bossen geweest. Op veel plaatsen zien we de restanten daarvan terug in de vorm van bosveen. Door bos in het Lauwersmeer niet langer taboe te verklaren voegen we aan de Waddenregio een geheel nieuw, maar tegelijk ook zeer oorspronkelijk en zeer waardevol natuurtype toe. Vogels én recreanten zouden er mee in hun nopjes zijn!

Posted in Woud aan de waddenrand | Tagged , , | 1 Comment

Overheids-vrij natuurbeheer, kan dat?

Kan natuurbeheer zonder financiële bijdrage van het Rijk? Je zou het bijna wensen nu dit Kabinet zich op het gebied van natuur zo’n onbetrouwbare partner toont. In deze blog wil ik die mogelijkheid eens verkennen. Bij wijze van vingeroefening.

Zouden de leden en donateurs van de natuurorganisaties het financiële gat kunnen opvullen? Zij zijn immers voor de meeste organisaties, met uitzondering van Staatsbosbeheer, altijd een belangrijke inkomstenbron geweest. In de huidige opzet zie ik daar niet veel meer mogelijkheden liggen. Hogere contributies betekent onherroepelijk ook minder leden. Het aantal leden neemt bovendien bij vrijwel alle natuurorganisaties ook nu al af. Maar die huidige opzet hoeft niet heilig te zijn. Kijk eens naar de National Trust, de grote broer van Natuurmonumenten in Groot Brittannië. Die organisatie beheert meer dan 250.000 ha natuurgebied, 300 landgoederen, 73.000 archeologische monumenten en meer dan 200 museumcollecties. National Trust doet dat vrijwel zonder subsidie. Dat kan het dankzij een sterk commerciële opzet, bijna vier miljoen leden, een groot netwerk aan bedrijfscontacten, vrijwilligers en een campagneachtige manier van werken. Behalve de gewone ‘merchandising’ biedt de Trust niet alleen een breed scala aan vakantiehuizen aan maar ook credit cards, groene energie, CO2-neutrale verzekeringen. Een soort natuur-ANWB.

Volgende vraag: kan het bedrijfsleven de plek van de overheid overnemen? Het antwoord is ook hier” ja, mits”, hoewel zeker niet volledig. Sponsoren in geld is, anders dan veel mensen wensen, geen geliefde hobby onder ondernemers. De meeste natuurorganisaties hebben bedrijfsvrienden, maar een grote vlucht neemt het nergens. Toch denk ik dat er goede mogelijkheden liggen als natuurorganisaties gaan nadenken over wat natuurbescherming kan betekenen voor bedrijven met een maatschappelijk profiel.  Er moet sprake zijn van wederzijds voordeel, pas dan trek je bedrijven over de streep. De samenwerking tussen Natuurmonumenten en de verzekeraar Menzis is daarvan een goed voorbeeld. Menzis heeft belang bij actieve klanten, want die zijn gemiddeld gezonder en kosten dus minder. Wandelen en fietsen in de natuur is dus in het belang van de verzekeraar. Menzis is daarom bereid om daarin te investeren en Natuurmonumenten levert vervolgens de natuur. Beide partijen hebben er dus voordeel van.

Natuurorganisaties kunnen in dit opzicht ook veel leren van de cultuursector. Die kent vergelijkbare problemen, maar loopt op het punt van ‘cultureel ondernemen’ een paar jaar voor op de natuursector. Slimme cultureel ondernemers maken met uitgekiende publiciteit arrangementen die voldoende publiek trekken om winstgevend te zijn. Dat leidt tot een verbreding van het publiek en dat is vervolgens weer de basis voor bijzondere, minder commerciële producties. Voor bijzondere projecten wordt daarnaast steeds vaker, met succes, ‘crowd-funding’ ingezet. De cultuursector is bovendien sterk in het binnenhalen van ‘mecenassen’ en legaten. Dat lukt omdat de sector veel aandacht besteedt aan het opbouwen van een zeer persoonlijke band met deze mensen.

Een derde weg is wat ik noem ‘ondernemen met natuur’. Dat is iets anders dan de verkoop van hout of gras. Het is het principieel bekijken hoe je je terreinen en organisatie te gelde kunt maken zonder de grond te verkopen of af te dingen op de kwaliteit van de natuur. Ecosysteemdiensten leveren en groene projectontwikkeling binnen of aanpalend aan de eigen terreinen. Bijvoorbeeld: nieuwe natuur maken door ruimte te bieden voor overtollig slib of een zuiveringsmoeras, geld verdienen aan waterberging, zandwinning of een windmolen. Samen met een belanghebbende partij een of meer nieuwe landgoederen opzetten, grenzend aan jouw natuurgebied. Of: medewerking verlenen aan een vergunning van een ander. Dat klinkt allemaal nogal tegenstrijdig met natuurbescherming, maar er zijn goede voorbeelden waar dit meer en betere natuur heeft opgeleverd.

Vanuit onze eigen praktijk – bij ARCADIS -  kan ik een aantal van die voorbeelden geven: 109 ha nieuw laagveenmoeras ontstaan uit een gezamenlijk recreatieproject bij Giethoorn, een nieuw rieteiland in het Zwarte Meer met slib uit het Ketelmeer. Diverse door NUON en Essent betaalde duinherstelprojecten op Schiermonnikoog en Ameland. Ook de Veenoordkolk bij Deventer uit een van mijn vorige blogs en betaald uit de berging van overtollige grond, past in dit rijtje. En we hebben nog veel meer ideeën in de pijplijn.

Het klinkt allemaal nogal commercieel. En dat is het natuurlijk ook. Begrijp mij goed, ik ben geen voorstander van een vergaande commercialisering  van de natuurbescherming. Ik vind dat de overheid principieel moet blijven bijdragen aan het collectieve goed ‘natuur’. Omdat de samenleving daar collectief van profiteert en juist ook om een al te grote commercialisering te voorkomen.  Waar het mij om gaat is dat de natuurbescherming gaat nadenken wat het betekent om financieel (meer) op eigen benen te staan. De cultuursector en de National Trust laten zien dat dit in belangrijke mate kan als het nodig mocht zijn. Alleen al die vingeroefening leidt tot nieuwe, interessante ideeën. Die kunnen in de komende tijd wel eens hard nodig zijn. Overheids-vrij natuurbeheer zal wel niet mogelijk zijn, maar overheids-arm zou in ieder geval de natuur minder subsidieafhankelijk maken!

Posted in Overheidsvrij natuurbeheer kan dat? | Tagged , | 3 Comments

Buiten gebaande paden denken

Deze blog gaat over innovatie. Hoe een nieuwe combinatie van drie bestaande technieken uit uiteenlopende sectoren tot een nieuwe, veilige oversteekplaats voor padden en reptielen leidde. Out of the box denken op het grensvlak van ecologie en civiele techniek. Maar ook van idee naar markt. Laat ik het verhaal chronologisch vertellen.

Dit voorjaar werd ik benaderd door een kennis, X, die als ecoloog bij een gemeente werkt . Hij vroeg me of ARCADIS eens wilde nadenken over het probleem van de slecht functionerende ‘paddentunnels’ die her en der in het land, en ook in zijn gemeente, onder wegen zijn aangelegd. “Hoeveel mag het kosten” vroeg ik hem. Nou, budget had hij niet. Maar hij kon zich indenken dat ARCADIS vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen best zou willen investeren in zo’n project. Bovendien, als het ecologisch een succes werd dan zou ARCADIS daar uiteindelijk ook financieel van profiteren, dacht hij. Ik legde hem uit dat ik hierin nog niet direct een business case zag. Maar ik beloofde hem wel om het idee eens te bespreken met een aantal collega’s.

Die collega’s waren Anne Martine Kruidering, die alles weet van ontsnippering, ecoducten en faunatunnels én Martin Voorma, bodemspecialist en uitvinder.  Ik heb hen gevraagd om samen maximaal één uur te brainstormen over de vraag van X. Als dat niets opleverde dan zouden we er niet mee doorgaan. Het briljante idee kwam niet in dat eerste uur, maar de vraag bleef wel hangen enin de weken erna ontstond het idee alsnog. Drie briljante ideeën zelfs.

Het is goed om hier even in te gaan op het functioneren van de traditionele paddentunnels. Meestal zijn dat kleine, halfopen ronde betonbuizen met een roostertje om licht toe te laten. Ze worden gebruikt om amfibieën en reptielen naar de overkant te geleiden, bijvoorbeeld op plaatsen waar veel paddentrek is. Ze worden verdiept aangelegd, met het rooster op de hoogte van het wegdek. Dat roostertje is nodig omdat vooral reptielen als ringslang of zandhagedis niet graag een donkere buis in kruipen. Dergelijke dieren houden ook niet van het koude oppervlak van de buis. Het roostertje gaat vaak kapot door de vele auto’s die er overheen rijden. Conclusie: de traditionele tunnels vergen veel onderhoud en vooral de reptielen mijden desondanks de buis maar al te vaak. Gevolg: veel doodgereden dieren en soms slippartijen en schade in het verkeer.

De nieuw bedachte buis van ARCADIS combineert drie bestaande technieken uit andere sectoren. Ten eerste krijgt de buis een vast dak van lichtdoorlatend beton. Lichtdoorlatend beton?  Ja dat bestaat. Het wordt door een van onze klanten toegepast in zeer luxe badkameraccessoires. Dus geen losrammelende en verstopte roosters meer. Ten tweede: de tunnel wordt bekleed met kussens van polymeren die overdag warmte opnemen en ‘s nachts weer geleidelijk afstaan. Het wordt door een bedrijf uit ons netwerk gemaakt als muurisolatie in woningen. En ten derde: in het wegdek worden piëzo-elektrische elementen ingebouwd. Elke keer als er een auto overheen rijdt wordt er een stroompje opgewekt. Met dat stroompje wordt een batterij geladen waarmee ’s nachts in de buis een Led-lampje kan branden. Dergelijke elementen zijn gewoon te koop. Een betere reptielentunnel, van alle gemakken voorzien. En we zijn het nagegaan: onze buis kán gemaakt worden.

Nu hadden we een goed idee, maar daarmee nog geen klanten. Daarom plaatsten we een persbericht in een aantal (vooral digitale) nieuwsbrieven. Onze oproep: “welke terrein- of wegbeheerder wil de proef nemen met deze nieuwe faunatunnel?”. Binnen tien dagen hadden wij contact met twaalf geïnteresseerde partijen: terreinbeherende organisaties, provincies, Rijkswaterstaat, en een gemeente. Onze contactpersonen stonden aan de lat voor enkele tientallen tunnels. Toegegeven, een aantal deinsde terug toen we vertelden dat onze buizen wel een stukje duurder zijn dan de kale, traditionele buis. Maar de materiaalkosten zijn maar een beperkt deel van de totale kosten van de aanleg, dus zo groot is het verschil nu ook weer niet. Vijf klanten bleven serieus geïnteresseerd. Twee daarvan hebben daadwerkelijk besloten om een tunnel te laten plaatsen. Voor een van hen spelen de provinciale subsidievoorwaarden nog parten. De andere gaat zeker door. De eerste vernieuwde paddentunnel komt daarom deze winter in de Achterhoek, bij Natuurmonumenten. Voor een derde klant, een provincie, gaan we eerst de geschikte plekken voor faunatunnels in kaart brengen.  

De nieuwe faunatunnel is nog steeds geen cash cow en zal dat wellicht ook nooit worden. Maar we hebben bewezen dat we de denkkracht die we in organisatie hebben op een zinvolle manier kunnen inzetten. Het heeft ons een paar opdrachten en behoorlijk wat naamsbekendheid gegeven. Maar nog belangrijker is dat we het lef hebben gehad om inhoudelijke en organisatorische grenzen over te steken. Dat is waar innovatie om draait!

PS. Er is van de faunatunnel ook een animatiefilmpje gemaakt. Die is te zien op:

http://www.youtube.com/watch?v=LlIvbdBnRA4&feature=plcp&context=C210b1UDOEgsToPDskKfXkgcfcg3LkgmVnDpHtyG

Posted in Buiten gebaande paden denken (paddentunnels) | Tagged , | 2 Comments

De Veenoordkolk, een nieuw perspectief voor natuurorganisaties én bedrijfsleven

Het project ‘Herinrichting Veenoordkolk’ van mijn collega Hans Pohlmann werd onlangs tweede bij de  Natuurprijs 2011 van het Nationaal Groenfonds [1]. Dit project is om verschillende redenen een goed voorbeeld voor natuurorganisaties én bedrijfsleven. Het is de manier waarop het plan tot stand is gekomen die het plan bijzonder maakt.

Als je vanaf Deventer via de A1 de IJssel oversteekt, ziet je de Veenoordkolk rechts liggen. Veel meer dan een kale, diepe en ecologisch weinig interessante zandplas in de uiterwaard van de IJssel is het niet. De plas ligt bovendien ingeklemd tussen de bebouwing van Deventer, de snelweg  en de productiesites van AkzoNobel en Mallinckrodt Baker.  Voor dit gebied is nu een natuurontwikkelingsplan in uitvoering. De plas wordt verondiept, er komen eilandjes en er komt ruimte voor de kenmerkende riviernatuur. De kolk wordt bij de rivier getrokken, waardoor er bij hoog water meer water kan worden geborgen. En passant wordt het gebied ook beter geschikt voor de kanovereniging, de hengelsportvereniging en de scoutingclub die er nu gebruik van maken.

Tot zover niets nieuws, want dit soort natuurprojecten komt elders ook voor, in het rivierengebied en daarbuiten. Het is de manier waarop het tot stand is gekomen die het plan bijzonder maakt. 40 ha spiksplinternieuw natuurgebied. En toch gaat het de gemeenschap vrijwel geen cent kosten. Hoe dat kan? Hans Pohlmann heeft een slimme constructie bedacht, waardoor het wordt betaald uit de private opbrengsten van de grondstromen in het rivierengebied.  Grond of slib uit andere projecten die ergens moet worden opgeslagen. Daarvoor heeft hij een ingewikkelde maar boeiende coalitie gesloten. De gemeente Deventer, eigenaar van de plas levert de plas en de omliggende grond “om niet”. In gewoon Nederlands: ‘kosteloos’. Grondbedrijf GMG verontdiept de plas en legt de oevers en eilandjes aan met grond uit andere rivierprojecten. Dergelijke uiterwaardengrond is altijd licht vervuild en mag alleen maar binnen dezelfde rivierbedding worden teruggestort. ARCADIS voert de regie, maakte het schetsontwerp en verzorgde de planvorming, al het noodzakelijke onderzoek, het procesmanagement en de vergunningen. Landschap Overijssel werkte het ontwerp uit. De verenigingen hebben meegedacht en hun wensen ingebracht. Veel kikkers in een kruiwagen en toch een goede samenwerking.

De opslag van grond in de nabijheid van andere rivierprojecten is voor Grondbank GMG dermate profijtelijk dat het hele plan er uit kan worden betaald. Zowel de planvorming als de inrichting, het proces en de vergunningen en zelfs het beheer over een groot aantal jaren. Samen begroot op 2,4 miljoen euro. Deventer krijgt er een mooi natuurgebied voor terug, de omliggende bedrijven zijn enthousiast (niet vanzelf, maar in de loop van het project wel geworden) en de verenigingen zien hun wensen beloond. Bijzonder is ook dat niet Landschap Overijssel, maar Stichting IJssellandschap het terrein gaat beheren.  Deze eeuwenoude Deventer stichting met een zeer groene doelstelling, beheert meer uiterwaarden in de omgeving en is in de lokale setting een logische keus. Landschap Overijssel blijft wel als adviseur bij het project betrokken.

De Veenoordkolk heeft dus de tweede prijs gewonnen. Het Nationaal Groenfonds was dit jaar op zoek naar succesvolle initiatieven die zich onderscheiden door winst voor de ondernemer(s) én winst voor de natuur, win-win situaties dus.  Het nieuwe natuurgebied bij Deventer voldoet daar  prima aan. Maar los daarvan is het project Veenoordkolk een goed voorbeeld hoe natuurorganisaties hun natuurgebieden kunnen uitbreiden en verbeteren in een periode dat de overheidsinvesteringen vrijwel wegvallen. En hoe het bedrijfsleven daarbij kan helpen. In dit geval was overtollige en lichtvervuilde grond de sleutelfactor. Maar er zijn veel meer mogelijkheden denkbaar. In het Zwarte Meer legt Hans Pohlmann voor Natuurmonumenten een rieteiland aan met baggerspecie uit het Ketelmeer. Op weer andere plaatsen is biomassa of kleiwinning de sleutelfactor voor natuurontwikkeling. Het geheim is dat hij op een slimme manier de uiteenlopende belangen van partijen in zijn netwerk aan elkaar knoopt. Op die manier is ondernemen met natuur helemaal geen tegenstelling, maar juist een uitgelezen nieuw perspectief voor natuurbescherming én bedrijfsleven.

[1] De tweede prijs is gedeeld met het project Mariahoeve, een nieuw waterlandgoed in Friesland. De eerste prijs ging naar BSO Wijs! in Driebergen-Rijsenburg, een buitenschoolse opvang, die de kinderen mee de natuur in neemt. Meer informatie is te vinden op de site www.nationaalgroenfonds.nl. Daar zijn ook filmpjes van de projecten te zien.

Posted in De Veenoordkolk | Tagged , , | 1 Comment

Nationaal is taboe

Staatssecretaris Henk Bleker schrapte onlangs de nationale parken en de nationale landschappen. In alle tumult over de bezuinigingen op natuur kreeg dat bericht nauwelijks aandacht. Toch is dit besluit om verschillende redenen opmerkelijk.

Laat ik het eerst preciezer formuleren: Bleker heeft de nationale parken en de nationale landschappen geschrapt als rijkstaak. Hij laat het aan de Provincies over of zij dat beleid voor de desbetreffende gebieden willen voortzetten. Omdat het kabinet er geen geld bij levert en ook de Provincies fors moeten bezuinigen, zullen deze niet happig zijn op nieuwe taken. De toekomst van de nationale parken en de nationale landschappen staat dus serieus op de tocht.

De nieuwe beleidslijn staat haaks op het rijksbeleid in het verleden. Zowel de nationale parken als de nationale landschappen werden indertijd aangewezen als de paradepaardjes in hun categorie: natuur respectievelijk landschap. Samen vormden ze een staalkaart van wat Nederland te bieden had. Juist voor deze paradepaardjes voelde het Rijk zich verantwoordelijk! Later, toen de bezuinigingen toesloegen, koos het Rijk er voor om geld uitsluitend nog in de nationale landschappen en het andere nationale project te steken: de EHS (de nationale parken maken prominent deel uit van deze EHS). ‘Prioriteiten stellen’ heette dat. Deze gebieden waren immers van nationale waarde. Maar wat eerst nationale paradepaardjes waren, is nu plotseling helemaal geen prioriteit meer.

Nationale parken en nationale landschappen zijn beide redelijke succesverhalen. Er is flink geïnvesteerd in natuurherstel en in natuureducatie. Daardoor is er over het algemeen veel draagvlak voor deze categorie gebieden. Ik weet dat, omdat ik via mijn werk als adviseur bij ARCADIS betrokken was bij plannen, visies en beleidsevaluaties voor vier van deze gebieden: de nationale parken Duinen van Texel, Lauwersmeer, Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap Drentsche Aa en Zuid-Kennemerland. Allemaal geweldige gebieden, met niet alleen prachtige natuur maar ook uitstekende potenties voor natuurgerichte economische ontwikkeling. De investeringen van het Rijk hadden hier tot nu toe een duidelijk vliegwieleffect op investeringen in de regio. In het Nationaal Park Duinen van Texel werden bijvoorbeeld diverse natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd, wegen autoluw gemaakt en een bezoekerscentrum ingericht. Maar niet alles was door subsidies gestuurd. Aan de randen van het Nationaal Park Lauwersmeer groeide de omvang van de verblijfsaccommodatie in 20 jaar tijd van circa 3.300 tot 7.900 slaapplaatsen per jaar, zonder dat dit schadelijk was voor de natuurwaarden van het gebied (hoewel de grenzen van de groei nu wel in zicht zijn). De lokale economie bloeit er, mede omdat het een nationaal park is.

Voor de nationale landschappen geldt een vergelijkbaar verhaal. Nog meer dan de ‘nationale parken’ is de categorie ‘nationale landschappen’  bij uitstek geschikt voor regionale economische ontwikkeling op basis van recreatie en toerisme. Het zijn vaak gebieden met weinig andere mogelijkheden, zoals Waterland, Noordoost Twente of Mergelland. Ook de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam zijn van die nationale projecten. De landbouw heeft duidelijk baat bij de rijksinzet. Het Arkemheen-Eemland bleef bijvoorbeeld dankzij de status van nationaal landschap gespaard bij discussies over de verdere verstedelijking van het gebied Utrecht – Amersfoort – Hilversum. De melkveehouderij heeft er, dankzij het etiket ‘nationaal landschap’, nu een duurzame toekomst. Ook zijn veel boeren, geholpen door hetzelfde etiket, gaan investeren in recreatieve nevenactiviteiten. Arkemheen-Eemland timmert flink aan de weg en de bekendheid neemt toe.

Het Rijk trekt dus zijn handen af van de beide nationale categorieën. Verbazingwekkend eigenlijk. Want juist dit kabinet legt in woorden en daden een sterke nadruk op de nationale waarden en de nationale identiteit (wat dat ook moge zijn). Het schrappen van de nationale parken en de nationale landschappen past niet in die lijn, want die zijn er juist bij uitstek voorbeelden van. Er moet dus een andere reden zijn. Afkeer van alles wat met natuur en landschap te maken heeft, denk ik. En daar geen verantwoordelijkheid voor voelen. Dat gaat ten koste van onze staalkaarten van typisch Nederlandse natuur en typisch Nederlandse landschappen. Maar ook de economie in die regio’s wordt weer op zichzelf teruggeworpen. Onlogisch en onverstandig! Ik hoop daarom dat de Provincies, uit welbegrepen eigenbelang, blijven investeren in deze nationale schatten binnen hun grenzen. En dat ze op zoek gaan – met partijen zoals wij- naar hoe dit ambitieus, efficiënt en met eigen kostendragers kan.

Posted in Nationaal is taboe | Tagged , , | Reageren uitgeschakeld

Bang voor de tijdelijke korenwolf

RTL Nieuws besteedde kort geleden een item aan tijdelijk bestemmen. In welgeteld zes (!) seconden mocht ik op RTL Nieuws uitleggen dat er met onbenutte bedrijventerreinen en woningbouwlocaties zoveel nuttiger dingen te doen zijn dan braak liggen. Nu was die uitzending best een aardig item. Eerst was er een onderzoeker van Deloitte in beeld die vertelde dat Nederlandse gemeenten voor 12 miljard euro in grond hebben geïnvesteerd en daar door de crisis met elkaar 2,9 miljard verlies op lijden. Het aantal gemeenten onder financiële curatele gaat er sterk door oplopen, zo voorspelde deze accountant. Daarna kwam een projectontwikkelaar vertellen hoe hij in afwachting van kopers zijn grond had omgezet in een tijdelijke natuurgebied, samen met Landschap Overijssel. Dat terrein (Eeserwold, 60 ha toekomstig bedrijventerrein en locatie voor ‘landelijk wonen’ bij Steenwijk) vormde ook het decor voor de opnamen. En ja, met de herfsttinten van eind september zag dat terrein er inderdaad prachtig uit. En dan mijn zes seconden spreektijd. Net lang genoeg om aan te geven dat behalve tijdelijke natuur er elders ook heel andere nuttige invullingen mogelijk zijn. Aan meer kwam ik niet toe.

Tijdelijke natuur, tijdelijke functies, tijdelijk anders bestemmen. Je leest en hoort er momenteel veel over. Maar waarom deze hausse, vroeger kon je toch ook een tijdelijke andere invulling zoeken? Naar mijn mening zijn er drie redenen waarom tijdelijke functies nu ‘hot’ zijn. De eerste is natuurlijk de recessie in de woningmarkt en de markt van bedrijventerreinen. Mede veroorzaakt door een veel te ruime planning en te weinig aandacht voor de krimpende bevolking in een groot deel van Nederland. De tweede reden is dat verantwoordelijke bestuurders zien dat het allemaal wel eens lang kan gaan duren en graag een positieve boodschap verkondigen. Tijdelijke natuur en tijdelijke zonnepanelen zijn dan leuker dan een braakliggend terrein. De derde reden is een recente interpretatie van de Flora- en faunawet. Daardoor kunnen planten en dieren die op de tijdelijke natuur afkomen niet langer de beoogde bestemming tegenhouden. Vroeger kon je een wethouder of een projectontwikkelaar nachtmerries bezorgen met de gedachte dat een of ander juridisch beschermde soort op je terrein, bijvoorbeeld een korenwolf, de ontwikkeling naar woningbouw of bedrijfslocatie kon verhinderen of vertragen. En dus wordt er in dit land door soms zeer natuurgezinde ondernemers en bestuurders tegen wil en dank jarenlang intensief gemaaid, gefreesd en afgevlakt om te voorkomen dat zich ook maar één oeverzwaluw of rugstreeppad op hun terrein gaat vestigen. Ik noem die angst het ‘korenwolfeffect’.

Dat natuur vernietigen om de beoogde bestemming te behouden hoeft gelukkig niet meer. Het vroegere Ministerie van LNV (thans EL&I) heeft een beleidslijn Tijdelijke Natuur opgesteld. De gedachte is dat het ontwikkelen van tijdelijke natuur positief is en dat het opruimen dat positieve effect nooit teniet kan doen. Sindsdien is het mogelijk om ontheffingen aan te vragen voor de aanleg van nieuwe natuur, inclusief het recht om die tijdelijke natuur aan het eind van de rit weer op te ruimen. Onlangs heeft de rechter de juridische onderbouwing van deze ontheffingen in een proces over tijdelijke natuur in de Haven van Amsterdam bekrachtigd. Bovendien staan ook de natuurorganisaties positief tegenover dit fenomeen. Zij zien immers de meerwaarde van een tijdelijk natuurgebied op een plek die bestemd is voor niet-natuur. Daardoor staat niets de inrichting van een tijdelijk natuurgebied meer in de weg.

Een ontheffing voor tijdelijke natuur is overigens geen vrijbrief om alle reeds bestaande natuur om zeep te helpen. Het gaat de wetgever om de extra natuur die ontstaat door de inrichting als tijdelijk natuurgebied. Dus een dassenburcht die ontstaat in een tijdelijk natuurgebied mag, met ontheffing, weer worden opgeruimd. Maar een dassenburcht die al bestond voor het de bestemming ‘bedrijventerrein’ kreeg blijft beschermd (althans zolang de nieuwe Natuurwet van Henk Bleker nog niet van kracht is). Terecht lijkt mij!

Tijdelijke natuur is uiteraard maar één van de tijdelijke bestemmingen die denkbaar is. Soms passen andere tijdelijke bestemmingen beter. Buiten de stad kan je denken aan tijdelijke waterberging of tijdelijke energiewinning. In de stad ligt misschien een tijdelijk park, een natuurspeelplek of een gemeenschappelijke bloementuin meer voor de hand. Tijdelijke huisvesting of tijdelijke horeca kan ook. Noem het maar op. Laten de bestuurders en de ondernemers hun creativiteit benutten. Wij denken graag met hen mee. Waarom nog bang zijn voor de tijdelijke korenwolf als dat juridische probleem oplosbaar is? Maar hoe mooi de plannen ook zijn: vergeet niet een ontheffing voor tijdelijke natuur aan te vragen als je problemen met toekomstige natuur wil voorkomen. Het kan tegenwoordig!

Posted in Bang voor de tijdelijke korenwolf | Tagged , , | 1 Comment

De edele wolf

Welkom op mijn eerste ‘blog’ over ecologie in beleid en praktijk. Mijn naam is Dolf Logemann. Het is mijn bedoeling om regelmatig korte opinieartikelen te publiceren over ecologische en natuurbeschermings-vraagstukken, zoals ik die tegenkom als ecologisch adviseur bij ARCADIS en als privépersoon. Een kleine introductie over mezelf kunt u hier vinden.

Dolf Logemann dus. Waar komt die naam vandaan? Eerst mijn achternaam: mijn familie komt naar het schijnt uit de omgeving van Oldenburg, Noord-Duitsland. ‘Loge’ is oud-Duits voor open plek in het bos, verwant aan het Nederlandse loo of lo zoals in ‘Hoenderlo’. Ik kom dus uit het bos. Een voorvader reisde rond 1800 voor de handel naar Middelburg en sindsdien wonen er dus Logemannen in Nederland. Noem mij dus een allochtoon van de 10de generatie. Maar inmiddels goed ingeburgerd. Mijn voornaam heb ik te danken aan mijn grootvader. Die heette nog gewoon Adolf, maar heeft de ‘A’ weggelaten al voordat hij in de oorlog als gijzelaar naar o.a. Buchenwald werd gesleept.  Dolf en Adolf zijn verbasteringen van het oud-Duitse ‘Der Adle Wulff’, ofwel ‘de edele wolf’.

Over edele wolven gesproken: is het echt zo dat er sinds kort een wolf op de Veluwe rondzwerft? Of is het net zo’n komkommerbericht als over de zwarte panter en de poema van een aantal jaren geleden. Nooit meer wat van gehoord! Toch is de komst van de wolf – als het er een is – niet onverwacht, al waren de voorspellingen eerder in de orde van “over een jaar of tien”. Wolven leven al in Duitsland in dichtbevolkt half-agrarisch gebied, dus buiten natuurgebieden, op zo’n 250 km van de Nederlandse grens. En wolven kunnen wel 50 km per nacht afleggen. Het was dus een kwestie van tijd voordat ze hier zouden opduiken. Voor de rest zijn ze heel schuw en de kans om er een te zien is minimaal. De praktijk in Duitsland wijst uit dat wolven en mensen heel goed kunnen samengaan.Wolven op de Veluwe. Had de grote zoogdierecoloog en Veluwedeskundige Harm van de Veen, een van mijn leermeesters en inspiratiebronnen, dat maar kunnen meemaken! Ik herinner me een lezing van hem aan de Rijksuniversiteit Groningen, rond 1980 en nog voordat ik professioneel met hem te maken kreeg, waarin hij uitlegde dat wolven een grote aanwinst zouden zijn voor de ecologie van de Veluwe. Niet dat je ze te zien zou krijgen, maar vooral omdat ze reeën, herten en zwijnen tot een natuurlijker gedrag zouden dwingen. Minder teruggetrokken in de rustgebieden en beter verspreid over het hele gebied. Met ene positief effect op de vegetatie tot resultaat. En beter zichtbaar voor de mens bovendien. Harm noemde het voorbeeld van het Parco Nazionale d’Abbruzzo in Italië. Sinds de plaatselijke VVV reclame ging maken voor de wolven in dat park, namen de inkomsten in de omliggende dorpen meetbaar toe. Een kwestie van slimme gebiedsbranding! Een voorbeeld voor de Veluwe? Harm schreef er het boekje ‘De wolf terug op de Veluwe’ over, uitgebracht door de Gelderse Milieufederatie. Het staat nog steeds in mijn boekenkast.

De wolf als ecologische aanwinst. Maar toch was mijn stellingname altijd dat we maar niet aan een herintroductie moesten beginnen. Niet omdat de wolf gevaarlijk is voor de mens. Harm wist uitstekend uit te leggen dat de wolf alleen gevaarlijk is in het sprookje van Roodkapje en dat problemen met schapenhouders goed beheersbaar zijn. Maar vooral omdat de mens gevaarlijk is voor de wolf. Teveel infrastructuur op de Veluwe en waarschijnlijk teveel hetze vanuit de jagerswereld. Niet doen dus. Maar de natuur kiest haar eigen pad. De wolf heeft op eigen poten de Veluwe bereikt. Eigenlijk ben ik daar heel blij mee. Onze natuur en onze samenleving is een toppredator rijker! Juist op een moment dat de belangrijkste (snel)wegen op de Veluwe worden overbrugd met ecoducten. Juist op een moment dat veel rasters dier-passeerbaar zijn gemaakt. Voedsel genoeg bovendien. Laten we deze wolf daarom een kans geven. Lang leve de edele wolf!

Posted in De edele wolf | Tagged , , | 1 Comment