Dolf’s Natuurblog verhuist

Dolf publiceert met onverminderd enthousiasme nieuwe blogs op de Arcadis Blog.

Nieuw adres: www.arcadisblog.nl

De eerder verschenen blogs blijven online beschikbaar op dit adres.

 

Geplaatst in Uncategorized | Reacties staat uit voor Dolf’s Natuurblog verhuist

Olie in het Zwin: wie betaalt de schade?

Kort geleden botsten twee schepen voor de monding van de Westerschelde. De opvarenden werden gered, maar uit een van de wrakken stroomde olie. Gelukkig wist de Belgische regering (het ongeluk gebeurde in Belgische wateren) te voorkomen dat de olie het Belgisch-Nederlandse Natura 2000-gebied Het Zwin bereikte. Was dat wel gebeurd, dan was de ecologische ramp niet te overzien geweest. Helaas komen calamiteiten in natuurgebieden vaker voor.

Een paar jaar geleden was er bijvoorbeeld een olielekkage in het Duitse Ambstvenn, een natuurgebied direct over de grens bij Enschede en pal naast het Nederlandse Aamsveen. Waar die olie vandaan kwam was eerst onduidelijk, maar uiteindelijk bleek het om zware olie te gaan uit een opslag kilometers diep onder de grond in een oude zoutcaverne. Het duurde veertien dagen voordat het lek was gedicht. In het natuurgebied moesten enorme putten worden gegraven en vele duizenden kubieke meters grond worden afgevoerd. Een ander voorbeeld is de brand bij Chemie-pack op het industriegebied van Moerdijk in 2011.  Hier liepen duizenden liters vervuild bluswater in het oppervlaktewater en dreef er een chemische cocktail over de Natura 2000-gebieden Hollands Diep en het Oudeland van Strijen.

Foto: Jürgen Peperhowe
Foto: Jürgen Peperhowe

Milieurampen in natuurgebieden komen dus met enige regelmaat voor. Er is daarom alle reden voor bedrijven om nu alvast de potentiële schade aan natuurgebieden in beeld brengen. En als ze daarop anticiperen door de kans op een milieuramp in natuurgebieden te minimaliseren. Door goed risicomanagement, regelmatige controles, de juiste voorzorgsmaatregelen of door er bij nieuwvestiging uit de buurt te blijven. Maar bedrijven hebben, zoals gezegd, ook een goede financiële reden om schade aan natuurgebieden te voorkomen: verontreiniging van natuurgebieden kan hen veel geld gaan kosten. Al sinds 2004 geldt in de Europese Unie de Environmental Liability Directive (ELD), vrij te vertalen als de Milieuaansprakelijkheidsrichtlijn. Nederland heeft de richtlijn geïmplementeerd in de Wet Milieubeheer (Artikel 17). In aanvulling op eerdere EU-wetgeving over watervervuiling en bodemverontreiniging, legt deze richtlijn de aansprakelijkheid voor schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, ook wel aangeduid als schade aan de biodiversiteit, bij de veroorzaker. Bedrijven zijn er aan gewend dat zij voor de kosten van het opruimen van vervuiling opdraaien, maar daar komen nu ook de kosten van natuurherstel bij. Ook zijn bedrijven verplicht om preventieve maatregelen te nemen om de kans op milieuschade in beschermde natuurgebieden te voorkomen. Er is maar weinig bekendheid aan dit artikel gegeven en de meeste bedrijven weten dit niet.

In de praktijk betekent dit dat een ongeluk of milieuramp flinke schade in natuurgebieden kan veroorzaken, bijvoorbeeld aan de vegetatie en het grond- en oppervlaktewater. Zo’n rampplek zal voor veel organismen als leefgebied ongeschikt raken. Ook het opruimen zelf zal schade met zich brengen in de zin van directe schade en verstoring. Maar de grootste kostenpost is wel de verplichting om de natuur weer in de oude staat terug te brengen. Dat betekent dat vegetaties en populaties volledig moeten worden hersteld, dus inclusief de kwaliteit die deze hadden. Omdat volledig herstel vaak niet mogelijk is, betekent dit dat een compleet nieuw natuurgebied moet worden ingericht, met een forse overcompensatie om het kwaliteitsverlies te nivelleren. Er is dus voor dit bedrijf alle reden om de veiligheidsmaatregelen nog eens onder de loep te nemen. Voorkomen is immers beter dan genezen.

Ook de verzekeraars kennen inmiddels de EU-richtlijn. Ze beginnen te beseffen dat er in het verzekeringsstelsel een forse lacune zit: grote financiële risico’s die onvoldoende door verzekeringsinstrumenten zijn afgedekt. Maar veel vaart zit er nog niet in. Er zijn nog geen claims en evenmin zijn er gesprekken over het voorkomen en afdekken van dergelijke milieurisico’s. Is er voldoende nagedacht over de gevolgen van een incident in de nabijgelegen natuurgebieden? Zijn de rampenplannen voldoende toegesneden op het voorkomen van schade aan de natuur? En is het bedrijf in staat om de exceptionele kosten van natuurherstel te betalen? Of is de kans op faillissement groot, waarna de samenleving voor de kosten opdraait? Omdat preventie hier het sleutelwoord is, zou het goed zijn als overheden, water- en terreinbeheerders én verzekeraars de discussie aangaan met bedrijven die een risico vormen voor natuurgebieden. Desnoods met artikel 17 van de Wet milieubeheer in de hand! Als dit niet gebeurt dan loopt de natuur nog steeds onnodige risico’s en blijft het onzeker wie voor eventuele schades moet opdraaien. Natuurlijk geldt hier in eerste instantie: de vervuiler betaalt, maar gaat dat wel gebeuren? We moeten voorkomen dat zowel de natuur als de belastingbetaler bij komende rampen de klos zijn.

Geplaatst in Olie in het Zwin: wie betaalt de schade? | Getagged , , , , , | 1 reactie

Lang leve ons park!

Van tevoren was ons de strontkar voorspeld. Voor een natuurplan kon je maar beter niet op Texel zijn. Maar het beheer- en Inrichtingsplan van het Nationaal Park Duinen van Texel werd een breed gedragen en succesvol plan. Het recept? Nog voordat we een letter op papier hadden gezet organiseerden wij een eerste publieksbijeenkomst. Iedereen kon daar aangeven wat hij of zij van het huidige duinbeheer vond en wat er moest veranderen. In het begin was dat onwennig, maar allengs kwamen er meer suggesties. Essentieel was dat we al die voorstellen in het uiteindelijke plan en een ambitieuze programmering hebben verwerkt. Niet alle voorstellen haalden de eindstreep, maar dat vermeldden we dan netjes. Dit plan heeft bij de Texelaars veel goodwill gekweekt voor ‘hun’ nationaal park. Dat was in 1999. Sindsdien heb ik nog veel meer van dat soort plannen gemaakt. Niet bang zijn voor de mening van boeren, jagers, vissers en andere burgers. Die mening serieus nemen en erkennen dat er ook andere belangen spelen. Co-creatie in plaats van elkaar bevechten. Dialoog in plaats van discussie. Mijn ervaring is dat je daar heel ver mee komt.

Blog Stadspark okt 2015

Tot zo ver over mijn professionele ervaring als adviseur met burgerparticipatie in natuurprojecten. Maar als burger ben ik ook aan de andere zijde van de tafel betrokken. Ik ben een van de oprichters van de Initiatiefgroep Ecologisch Stadspark in mijn woonplaats Zutphen. Dat stadspark is een langgerekte groenstrook aan de zuidkant van de Hanzestad aan de IJssel. Bij elkaar zo’n 72 ha groot. En hoewel die groenstrook als een sandwich tussen twee woonwijken ligt, is het zelfs in die wijken nauwelijks bekend. Men kruist het park op weg naar huis en men laat er de hond uit, maar dat is het dan wel zo’n beetje. De groenstrook zelf is nogal een rommeltje. Kale grasvelden versus kleinschalige en besloten plekjes. Drie wegen die de strook doorsnijden. Fiets- en wandelpaden die niet op elkaar aansluiten. Sportvelden en volkstuinen naast vogelrijke bosjes en fraaie rietoevers. Wij willen daarom in het park meer cohesie brengen, meer kansen bieden aan plant en dier en het aantrekkelijker maken voor de bewoners. Daar zijn wij nu een paar jaar mee bezig en de eerste resultaten worden zichtbaar.

Hoe is dit burgerinitiatief ontstaan? De gemeente wilde al langer een facelift voor dit park, maar in de praktijk gebeurde er niets. Pas toen een lokale partij er rond het thema ‘ecologisch stadspark’ een excursie organiseerde, besloot een aantal deelnemers de handschoen op te nemen. De initiatiefgroep was geboren. Wij organiseerden, net als op Texel, eerst twee drukbezochte publieksbijeenkomsten waar we de aanwezigen vroegen om ideeën te spuien. Met die oogst hebben we een landschapsarchitecte een visionaire prent laten maken. Onze visie was opgebouwd uit 10 bouwstenen, van natuurvriendelijke oevers en natuurlijke speelplekken tot het aanvullen van ontbrekende schakels in de fietspadenstructuur en een nieuwe invulling van het gemeentelijk milieucentrum dat ook in het park ligt. Hiermee verwierven wij ons steun van de gemeente en de gemeenteraad en met de financiële steun die dat opleverde zijn wij aan de slag gegaan.

Terugkijkend hebben we veel bereikt. De verbindende fietspaden zijn gerealiseerd. Op diverse plekken hebben we nieuwe beplanting aangebracht. We hebben onze inbreng geleverd bij de nieuwe functie van het milieucentrum en bij de groene inrichting van een nieuwe aanpalende woonwijk. Op dit moment werken we, samen met de bewoners van drie aangrenzende flats, aan een natuurvriendelijke oever, waarbij ook de flats van het riool worden afgekoppeld.

Hoewel we nu een stichting zijn geworden, functioneren we nog steeds vooral als initiatiefgroep. Bij alles wat we doen we proberen anderen te betrekken. We zijn immers zelf maar een klein clubje. Voor het planten van bomen en struiken liften we mee met de publiciteit van de jaarlijkse Nationale Natuurwerkdag en NLDoet-dag. Daarbij werken we samen met het IVN. De natuurvriendelijke oever ‘doen’ we samen met de bewoners, de gemeente, het Waterschap en de woningbouwvereniging die de flats beheert. De inrichting van het middengebied is ontworpen samen met de direct omwonenden. Zo betrekken we consequent anderen bij het realiseren van onze visie.

Het mooie is dat dit aanstekelijk werkt. Wij hebben de Bijenvereniging zo ver gekregen dat zij de omgeving van hun bijenstal grondig hebben aangepakt. Met geld dat wij voor hen hadden geregeld is een wandelpad langs hun stal gerestaureerd en worden binnenkort informatiepanelen geplaatst. Ook de Volkstuinvereniging is wakker geworden en denkt na over de inrichting van haar terrein. De biologische pluktuin, al jaren in de versukkeling, kreeg ook een facelift.

Wat zijn nu de succesfactoren geweest?

  • Allereerst zijn dat onze eigen contacten en goede ingangen bij de gemeente, het waterschap en tal van organisaties in de Zutphense gemeenschap. Het lukte ons om de verbindingen te leggen waardoor zaken mogelijk werden die voorheen nooit konden.
  • De grafische visualisatie van onze ideeën maakte veel enthousiasme los. Niet op de laatste plaats bij de gemeenteraad en het college van B&W.
  • De positieve insteek van de gemeente, waarmee we regelmatig overleggen. De desbetreffende wethouder wist in crisistijd een ton voor het park te reserveren en wij mogen daarvoor voorstellen doen. Terecht, want naast burgerparticipatie hoort overheidsparticipatie, en die wisselwerking loopt in Zutphen goed.
  • Onze samenwerking met de KNHM , de ideële partner van ARCADIS en expert in burgerparticipatieprocessen. De KNHM heeft ons in de beginfase uitstekend op weg geholpen en bijvoorbeeld ook de landschapsarchitecte betaald.
  • Plezier. De bijeenkomsten van de initiatiefgroep zijn altijd een feest om bij te wonen. Dat straalt van ons af en maakt anderen enthousiast.

Het is mooi om zo mijn professionele ervaring in te zetten in mijn eigen woonomgeving. Maar deelnemen aan een burgerinitiatief is ook geweldig leerzaam. Zo bezien strekt burgerparticipatie tot wederzijds voordeel.

Geplaatst in Uncategorized, Lang leve ons park | Getagged , , , , , | Reacties staat uit voor Lang leve ons park!

Vergunningverleners hebben het druk

De Natuurbeschermingswet zorgt op de verschillende Provinciehuizen voor topdrukte bij de afdeling Vergunningen. De reden: de invoering van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 1 juli van dit jaar. Collega’s van mij zijn op dit moment ingezet bij provincies om achterstanden weg te werken of beoordelingen efficiënter te organiseren. Want vooralsnog leidt de nieuwe PAS eerder tot meer, dan minder werk.

Curious Dutch milk cows

Het PAS is het toetsingskader voor alles wat stikstof uitstoot over Natura 2000-gebieden. Behalve veehouderijbedrijven zijn dat fabrieken, energiecentrales, afvalbedrijven, etc. En alles waar veel verkeer op afkomt, zoals zeehavens, rondwegen, evenemententerreinen, spoorwegemplacementen. Het PAS is juist bedoeld om de beoordeling te vereenvoudigen. Bedrijven met een zeer beperkte depositie hebben geen vergunning meer nodig. Voor bedrijven met een hogere depositie, maar minder dan één mol per ha per jaar, is een melding voldoende. Alleen boven die 1 mol-ha-jaar is een vergunning nog verplicht. Dat kan doordat de overheid gelijktijdig fors investeert in verbetering van de natuur, waardoor de natuur beter tegen stikstof kan (*). Door meer maatregelen te nemen dan juridisch strikt noodzakelijk creëert de overheid op papier extra ‘ontwikkelingsruimte’. Hiermee wordt, eveneens juridisch, de toename van de stikstofemissie gecompenseerd. Voor de ontwikkelingsruimte geldt echter: op is op! Als de ruimte is benut, moeten de andere bedrijven weer gewoon vergunning aanvragen.

Tot dusver de theorie. Op dit moment ligt er een fikse stapel vergunningaanvragen van bedrijven die denken met het oude regime beter af te zijn. Én er ligt een stapel aanvragen van bedrijven die juist op het PAS hebben gewacht omdat zij hopen te profiteren van de aangeboden ontwikkelingsruimte. Bovendien zorgt de afschaffing van het melkquotum voor een ongekend aantal aanvragen voor nieuwe stallen.

Een complicerende factor is dat er niet altijd ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Nog dit voorjaar verzekerde de Staatssecretaris dat de benodigde ruimte goed was doorgerekend en dat er voldoende van beschikbaar zou zijn. Echter, op 2 juli, de dag na de invoering van het PAS, was de ruimte voor meldingen in het gebied Alde Feanen (Fr) al op. Op 3 juli volgden het Liefstinghsbroek in Groningen en de Duinen van Ameland. Sindsdien is een melding in maar liefst tien gebieden niet meer mogelijk, waaronder de Veluwe, de Peelvenen en het gebied onder Den Bosch. Ook rond de duingebieden bij Haarlem, het Zwanenwater, op Texel en rond de Polder Westzaan zijn er problemen met de toekenning van ontwikkelingsruimte. Wie hier zijn bedrijf wil veranderen, moet voor de stikstofemissie toch weer een vergunning aanvragen.

Bij al die drukte rond stikstof zou je bijna vergeten dat er ook andere factoren  zijn waaraan moet worden getoetst. Geluidhinder, lichthinder, recreatieve uitloop, verdroging, waterverontreiniging, luchtverontreiniging en koelwater kunnen echter evenzeer invloed hebben op de beschermde natuur. En zijn dus vergunningplichtig. Alleen al rond de Veluwe en de Rijntakken hebben tienduizenden bedrijven daar mee te maken. Provincies én ondernemers zijn er dus bij gebaat om snel te weten of een bedrijf inderdaad vergunningplichtig is. Al was het maar om niet achteraf overbodig onderzoek te doen en op kosten te worden gejaagd.

Met de Provincies Overijssel en Gelderland hebben we systemen ontwikkeld waardoor vergunningverleners snel kunnen zien of een negatief effect op voorhand is uit te sluiten. Dat gebeurt met een database van alle bedrijven en hun SBI-codes, zoals deze ook voor de milieuvergunningen worden gebruikt. Hieraan is per milieuaspect een maximale effectafstand gekoppeld. Die afstanden zijn ontleend aan de ecologische literatuur, bijvoorbeeld over effecten van geluid of visuele verstoring op vogels en zoogdieren. Als een bedrijf verder weg ligt dan de afstand die in de literatuur voor een effect wordt vermeld, is een vergunning voor dat thema niet nodig. Er is dan immers geen aanleiding om te veronderstellen dat een bedrijf negatief effecten veroorzaakt.

In Gelderland hebben we deze systematiek voor de Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken ook uitgewerkt in beslisbomen, die op de website van de Provincie online zijn te raadplegen. Een ondernemer kan in vijf minuten nagaan of zijn bedrijf vergunningplichtig is en voor welke milieuaspecten nog nader onderzoek nodig is. Via diezelfde website stuurt hij dan de uitkomst ter controle aan de Provincie. Na de check door de Provincie krijgt hij daarover officieel bericht dat hem ook de rechtszekerheid geeft die hij wenst (uiteraard met de aantekening dat die zekerheid alleen geldt als hij een en ander naar waarheid heeft ingevuld). Daarmee is het aantal potentieel vergunningplichtige bedrijven rond de Veluwe en de Rijntakken teruggebracht van 160.000 tot ongeveer 6.000. Het georganiseerde bedrijfsleven en de vergunningverleners zijn daar blij mee. De vergunningverlening verloopt soepel en de Provincie kan zich concentreren op de bedrijven die de aandacht echt nodig hebben. Leuker kunnen we het voor hen niet maken!

(*) Zie ook mijn blog ´Te PAS en te on-PAS´ van 25 februari 2015

Geplaatst in Uncategorized, Vergunningverleners hebben het druk | Getagged , , , , , , , , , , | Reacties staat uit voor Vergunningverleners hebben het druk

Trots op onze natuur!

Nederlanders  – zijn zeikerds! Bij ons rijden de treinen nooit op tijd, het is hier altijd pokkenweer, Nederland is gewoon te vol, jongeren zijn tegenwoordig nergens meer in geïnteresseerd, je kunt hier niet meer veilig over straat, politici zijn zakkenvullers, naar mij wordt nooit geluisterd!

En wat zeiken Nederlanders over hun natuur? Echte natuur bestaat niet in dit land, de natuur die we nog hebben is aangeplant, aangeharkt, gehooid, gemaaid, geplagd. Het wemelt van de verbodsbordjes, door Natura 2000 zit de Nederlandse economie helemaal op slot. Waarom moet Nederland qua natuurbescherming steeds het beste jongetje van de klas zijn? Wat stelt trouwens natuur in Nederland nog voor? Een stukje bos ter grootte van een krant, een heuvel met wat villaatjes ertegen (hier citeer ik J.C. Bloem). Nee, voor echte natuur moet je naar Polen gaan. Wellicht kunnen we beter dáár investeren in natuurbescherming, dan hier (hier citeer ik de toenmalige Minister van LNV Piet Bukman).

Opmerkelijk dat wij zo weinig trots zijn op onze natuur. Immers: natuur biedt welvaart, schept gezonde mensen en vormt de basis van de Nederlandse cultuur. In bijna geen enkel land ter wereld vind je op zo’n korte afstand van elkaar zoveel verschillende landschappen en natuurgebieden. De Deltanatuur, de laagveenmoerassen van de Wieden, de grutto, de noordse woelmuis en de zwarte stern. Ze zijn allemaal vrijwel uniek in Europa.

Trots op onze natuur 332x249 - blog juni 2015 - 100_2718En ja, veel natuur in Nederland is man-made, maar wat geeft het? Het levert immers vaak prachtige en bijzondere natuur op – zie het beek- en esdorpenlandschap van de Drentsche Aa. Die man-made natuur is bovendien volop verbonden met onze historie. Zoals bijvoorbeeld het aardgas nu al decennialang de Nederlandse economie stimuleert, zo heeft het turf uit de Drentse venen mede bijgedragen aan de financiering van onze Industriële Revolutie en aan die van onze infrastructuur van kanalen en spoorwegen. Zo bezien vormen onze veengebieden een deel van onze geschiedenis en een stukje van onze identiteit als Nederland.

Je zou verwachten dat een gemeente blij is met een bijzonder natuurgebied binnen de eigen grenzen en er alles aan doet om het degelijk te beschermen. In andere landen zijn zij trots op ‘hun’ hoogveen of woud. Men maakt er een handelsmerk van  en probeert er toeristen mee te lokken. Maar niet in Nederland. Hier spannen overheden procedures aan om te voorkomen dat ‘hun’ natuurgebied beschermd wordt met een Natura 2000-status. Zoals Provincie Overijssel en de gemeente Wierden samen optrokken tegen de aanwijzing van het Wierdense Veld en zoals recentelijk de gemeente Denekamp de aanwijzing van het gebied Bergvennen/Breckelenkampse Veld aanvocht. Natuurlijk gaat het die gemeenten om de angst dat de agrarische sector een strobreed in de weg zal worden gelegd. Maar men giet dit in argumenten als dat het hoogveen eigenlijk die naam niet verdient en in feite een vochtige heideveld is waarvan we er al genoeg hebben.

In andere landen pakt men dat positiever aan. In Slovenië bijvoorbeeld, toch bedekt met tientallen procenten van het land aan Natura 2000-gebieden, wordt dit juist aangegrepen voor een fors aangezette gebiedsbranding. “Komt allen naar Slovenië, waar de natuur van Europese topklasse is!” Een ander voorbeeld is het Abruzzo National Park, niet ver van Rome. Een traditioneel arme streek. Hier maakt men volop reclame met de laatste beren en wolven die hier nog voorkomen. Met als gevolg een groeiende economie, gevoed door mensen die zo’n bijzonder gebied wel eens met eigen ogen willen zien.

Dat natuurbescherming ook in Nederland welbegrepen eigenbelang kan zijn mag blijken uit een studie van de econoom Tom Bade van het kenniscentrum Triple E. Hij berekende welk deel van de omzet van de bedrijven binnen een straal van 500 meter van een aantal Drentse natuurgebieden is terug te voeren op het natuurgebied zelf. Dat bleek voor het Drents-Friese Wold op te tellen tot  bijna 35 miljoen euro per jaar ofwel 7.538 euro per hectare. Dat is veel meer dan de jaarlijkse opbrengst van een hectare landbouwgrond in diezelfde omgeving. Je kan dus maar beter investeren in natuur dan in landbouwgrond, is de conclusie van Bade.

Gelukkig gebeurt dat ook weer. Na de stilstand onder de vorige staatssecretaris Bleeker wordt er weer volop in de natuur geïnvesteerd. Neem bijvoorbeeld het Bargerveen waar het hoogveenherstel in de komende jaren een flinke impuls krijgt. Kosten: ruim 35 miljoen euro. Zonde van het geld? Ik denk het niet. Dit toch niet erg rijke deel van Zuidoost Drenthe, heeft sinds de opkomst van de glastuinbouw, niet meer zo’n financiële impuls gehad. De ervaring elders in Drenthe leert bovendien dat dergelijk overheidsgeld ook particuliere investeringen aantrekt en dat het toerisme aantrekt. De eerste tekenen daarvan zijn in de dorpen rond het Bargerveen al zichtbaar. De natuur als economisch paradepaardje. We mogen wel wat trotser zijn op onze Natura 2000-gebieden!

Deze blog is een sterk ingekorte versie van een door mij op 26 april uitgesproken column bij de presentatie van het boek ‘Natuur van topklasse! Drentse Natura 2000-gebieden in beeld’. Dit prachtig geïllustreerde boek werd geschreven door Hans Dekker en overhandigd aan de aftredende natuur-gedeputeerde van Drenthe, Rein Munniksma.

Geplaatst in Uncategorized, Trots op onze natuur! | Getagged , , , | Reacties staat uit voor Trots op onze natuur!

Causale verbanden helpen natuurorganisaties de koers te verleggen

Natuurorganisaties zijn bezig zichzelf opnieuw uit te vinden. Dat is nodig, want de wereld om hen heen verandert snel. ARCADIS denkt mee en zet daarvoor een bijzonder instrument in: het causaal diagram.

Causale verbanden

Terreinbeherende organisaties als Natuurmonumenten en de Landschappen hebben historisch gezien hun basis in het rentmeesterschap. Aankopen van landgoederen, bossen en woeste gronden werden gefinancierd door publiekscampagnes en de uitgifte van renteloze leningen of obligaties, want subsidies waren er nog niet. Rentmeesters in die tijd beheerden niet alleen natuur, maar waren vooral ondernemer.

Naarmate ook de overheid natuurbescherming tot haar taak ging rekenen kreeg het ondernemerschap van de particulieren minder aandacht; het geld kwam nu langs een andere weg binnen. Goede contacten met de overheid werden belangrijker dan met de buren en het maatschappelijke middenveld. Je zou kunnen zeggen dat de natuurorganisaties zich in de loop van de tijd hebben ‘losgezongen’ van de samenleving. Zelf zijn ze zich er goed van bewust dat dit anders moet. Maar hoe, daarover bestaat nog geen eenduidig beeld.

Ik kom hierop omdat wij onlangs bij ARCADIS voor onszelf een analyse hebben gemaakt van wat voor hen mogelijk een nieuwe koers zou kunnen zijn. In onze adviezen en projecten in het landelijk gebied  hebben we veel met de natuurorganisaties te maken. Ze zijn onze klant, maar vaker nog komen we ze tegen als eindbeheerder van projecten die wij voor de Dienst Landelijk Gebied (DLG) uitvoerden. Omdat DLG inmiddels is opgeheven, is zowel onze rol als die van de natuurorganisaties veranderd. Daarom is het ook voor ons goed om na te denken over nieuwe vormen van samenwerking.

Voor onze analyse hebben wij gebruik gemaakt van de techniek van het ‘causaal diagram’. Daarmee probeer je vanuit de karakteristieken  van een organisaties te beredeneren tot welke houding deze leiden. Bijvoorbeeld: ‘Terreinbeherende organisaties (TBO’s) krijgen minder subsidie en moeten meer hun eigen broek ophouden’ heeft tot gevolg dat ‘TBO’s zich meer gaan profileren’. Dat leidt weer tot ‘concurrentie en spanning op de verhouding met andere TBO’s’, maar ook tot ‘grotere herkenbaarheid voor het publiek’ en ‘meer leden’. Door dit soort verbanden uit te breiden en met elkaar te verknopen ontstaan op papier cirkelvormige verbanden en knooppunten (zie foto).  Zo’n causaal diagram geeft goed zicht op de kansen en de remmende factoren om van koers te veranderen. De knooppunten  geven inzicht in welke draaiknoppen goed beïnvloedbaar zijn.

Via deze exercitie kwamen wij tot de conclusie dat de oorspronkelijke rol als rentmeester van de natuur ook in het huidige tijdperk voor de terreinbeherende organisaties nieuwe kansen biedt: investeren op basis van een lange termijnvisie, ondernemend, midden in de samenleving en met een goed oog voor partnerschappen.

Zo’n gedachtenoefening  via causale verbanden kan helpen om de koerswijziging helder te krijgen die nodig is doordat de terreinbeheerders verantwoordelijk worden voor almaar grotere projecten. De natuurorganisaties nemen immers steeds  meer complete gebiedsprocessen over van de Provincie, waaronder de realisatie van vele hectaren nieuwe natuur. De nieuwe projecten vergen een professionaliseringsslag, vooral op het gebied van project- en omgevingsmanagement. De projecten moeten op tijd en binnen budget worden opgeleverd. Er zal altijd aanvullend geld uit de private hoek nodig zijn. Deze omstandigheden vergen een andere houding van de natuurorganisaties. Als  zijzelf verantwoordelijk zijn, zullen ze meer moeten dealen met de andere belangen in het terrein. Zij staan niet meer alleen aan het roer. De uitdaging zit hem in win-win situaties. Opereren in grote projecten is alleen succesvol  mogelijk als de natuurorganisaties partnerschappen aangaan die qua capaciteit, expertise en slagkracht verder gaan dan hun eigen kunnen. Met zandwinners en waterschappen bijvoorbeeld, maar wellicht ook met een project- en procesorganisatie als ARCADIS.

Kansen grijpen en samen natuur realiseren, ook op plaatsen die niet door de overheid zijn voorgeschreven. Maar samenwerken met partners betekent soms ook dat het project meerdere doelen moet dienen. In die gevallen zullen de natuurorganisaties genoegen moeten nemen met iets minder dan maximale natuurkwaliteit. In de praktijk levert dat vaak uiteindelijk meer en sneller resultaat op dan in je eentje opereren en uitsluitend mikken op maximaal natuurrendement. Opnieuw in termen van het causaal diagram: door samen te ondernemen ontstaan nieuwe mogelijkheden, haal je meer kennis in huis, worden er sneller zichtbare resultaten geboekt, de burger ziet en waardeert dat, er wordt weer ledenwinst geboekt, de terreinbeherende organisaties worden een betrouwbaarder partner  voor de overheid en bedrijfsleven etc.

De oefening met het causaal diagram leverde ons interessante inzichten op. Wij zouden het graag eens over doen met de natuurorganisaties zelf. Doel zou dan zijn om de potentiële samenwerking tussen natuurorganisaties en de private sector in beeld te brengen. Niet alleen in de zin van sponsoring, maar juist in de sfeer van  het gezamenlijk realiseren van meer en betere natuur. Welke organisatie durft?

Geplaatst in Uncategorized | Getagged , , , , , , , , , , , | 2 Reacties

Te PAS en te on-PAS

Eerlijk gezegd weet ik niet zo goed wat ik van de PAS moet denken. Dank zij de PAS wordt veel geld gestoken in versterking van de natuur. Maar de PAS is ook een juridisch wankel bouwwerk dat de vermeden stikstofemissies weer grotendeels te niet doet. De natuur zal nog decennia lang gebukt gaan onder een zeer schadelijke deken van stikstof.

Laat ik eerst even uitleggen wat de PAS is. PAS staat voor Programmatische Aanpak Stikstof. Dat is het programma waarmee de diverse overheden de stikstofproblematiek in de natuur willen aanpakken en de stagnerende vergunningverlening voor de veehouderij en de industrie weer op gang helpen. Eind december hebben Rijk en Provincies hierover een akkoord bereikt; tot 20 februari lagen zowel het ontwerpprogramma als de onderliggende gebiedsanalyses en de plan-MER ter inzage.

PAS febr 2015 - Ven  Buurserzand smallIn veel natuurgebieden is de stikstofovermaat een groot probleem. Hoewel de uitstoot tegenwoordig aanzienlijk lager is, is ook de huidige concentratie in de lucht nog vaak te hoog voor stikstofgevoelige natuurtypen. De oorzaken zijn divers: veehouderijen, ons autopark, industrie, verwarmingsketels groot en klein, in Nederland en daarbuiten. De Europese lidstaten bestrijden de stikstof op diverse fronten: emissie-eisen, emissieplafonds, maar ook in internationale afspraken. Zo mag in Europa alleen een vergunning worden afgegeven als zeker is dat het desbetreffende plan of project geen schade veroorzaakt aan een van de Natura 2000 natuurgebieden. Vooral voor veehouderijbedrijven is dat lastig aan te tonen. Reden waarom de vergunningverlening daar al jaren stokt. Bedrijven zitten ‘op slot’, zoals ze dat zelf noemen.

De PAS moet hierin uitkomst bieden. De PAS kent drie pijlers. Allereerst worden stikstofbeperkende maatregelen voorgeschreven: luchtwassers, beter voer, zorgvuldiger mestaanwending in de veehouderij, de best beschikbare technieken in de industrie, schone energie en schonere auto’s. De tweede pijler is een forse investering in natuurherstel. In de komende zes jaar komt een kleine 600 miljoen euro beschikbaar om in natuurgebieden stikstof te verwijderen (plaggen, maaien, begrazen) en de waterhuishouding te verbeteren. De derde pijler is dat de vergunningverlening wordt versoepeld en vereenvoudigd. Bedrijven mogen een deel van de gezamenlijke stikstofreductie gebruiken om hun bedrijven uit te breiden en meer stikstof uit te stoten. Juridisch kan dat, omdat de natuur er dankzij de tweede pijler niet op achteruitgaat.

Het is natuurlijk prachtig dat er weer grootschalig in natuurverbetering wordt geïnvesteerd. Althans in de 117 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, de overige natuurgebieden profiteren er niet van. Het is bovendien begrijpelijk dat er iets aan de vergunningverlening wordt gedaan. Om redenen van bedrijfsontwikkeling, maar ook omdat de bewijsvoering in de stikstofdossiers bijna onzinnige vormen had aangenomen. Meer flexibiliteit en eenvoudiger procedures zijn in beginsel goed. Ook als adviesbureau zijn wij hier volop mee bezig. Maar het nieuwe beleid doet ook pijn. Van de afgesproken 10 miljoen mol emissiereductie mag de landbouw er zo meteen weer 5,6 miljoen gebruiken om uit te breiden. De totale emissiereductie tot 2030 is daardoor slechts een schamele 10 procent, terwijl voor een gezonde natuur eerder 70% of meer nodig is.

Hoeveel vergunningen kunnen worden afgegeven wordt niet bepaald door de kwetsbaarheid van de natuur, maar door de potentie van een gebied om stikstof te reduceren. Dus in  gebieden met de meeste veehouderij (en de meeste stikstof) zullen ook de meeste vergunningen worden uitgegeven, domweg omdat daar door de veehouderij in theorie meer luchtwassers kunnen worden ingezet dan in veearme gebieden. Zelfs in  het zeer kwetsbare en sterk overbelaste hoogveengebied Deurnsche Peel en Mariapeel zal er in de komende zes jaar voor gemiddeld 48 mol per hectare aan nieuwe vergunningen worden uitgegeven. Dat betekent weer voor enkele tientallen bedrijven in de directe omgeving dat zij mogen uitbreiden, terwijl de effectdrempel voor de gevolgen van stikstof in hoogveen nu al met meer dan 1.000 mol wordt overschreden. Mede daardoor daalt de stikstofbelasting in deze Peelvenen tot 2020 met slechts 67 mol. Op die manier duurt het nog eeuwen voordat het hoogveen ‘veilig’ is.

Toch is de vergunningruimte waarschijnlijk nog te beperkt voor de vraag. Nederland zit dan alsnog ‘op slot’. En wie trekt dan aan het kortste eind: de veehouderij, de industrie, Rijkswaterstaat of de havenbedrijven? Of de natuur? Zeker is dat tegen de PAS zal worden geprocedeerd. Werkgroep Behoud de Peel heeft al aangekondigd naar de rechter te gaan omdat zij (in haar geval) 5% milieuwinst onvoldoende vindt. De PAS lijkt behoorlijk vatbaar om juridisch onderuit te gaan. Het zal bijvoorbeeld voor een Provincie lastig zijn om aan de rechter duidelijk te maken dat de stikstofmaatregelen inderdaad op voorhand al tot minder stikstof leiden. Of dat een bijzonder habitat er ondanks een aantal nieuwe vergunningen niet op achteruit gaat. De kans dat de PAS bij de rechter sneuvelt is dus aanzienlijk.

De PAS is na lange discussies hét compromis geworden om veel problemen op te lossen. Maar ik vrees dat er heel veel nieuwe problemen voor in de plaats komen.

Geplaatst in Uncategorized | 2 Reacties

Kan Camping Zonneroosje uitbreiden, in de EHS?

Camping Zonneroosje wil uitbreiden. Daar zitten nogal wat principiële kanten aan, want de beoogde uitbreidingslocatie ligt in de EHS. Toch lijkt in dit geval uitbreiden in de EHS voor de natuur de beste oplossing. Het vergt lef van het provinciaal bestuur om de regels voldoende ruim te interpreteren om de uitbreiding mogelijk te maken.

Camping ZonneroosjeCamping Zonneroosje ligt in de provincie Overijssel*. Het publiek dat de camping trekt bestaat vooral uit oudere mensen, die rust en comfort zoeken en ouders met jonge kinderen. Er is geen georganiseerd vermaak, wel een goed sanitair gebouw. De omgeving is prachtig, met ruime mogelijkheden om te fietsen en te wandelen. De campingeigenaar wil het aantal kampeerplekken gelijk houden, maar zoekt wel meer ruimte. De kampeermiddelen worden groter, de veiligheidseisen strenger en de kampeerders willen meer plek rond hun caravan. Daarvoor is meer grond nodig. Vanuit het bedrijf gezien is de meest logische uitbreidingslocatie het naastgelegen bos, een eiken-berkenbos met beperkte natuurwaarden. Maar dat bos ligt wel in de EHS. Het bestemmingsplan biedt weinig ruimte voor de uitbreiding. De gemeente wil niettemin meedenken over een oplossing voor het ruimteprobleem van de camping. De omgevingsverordening van de Provincie maakt onderscheid tussen grootschalige en kleinschalige ingrepen in de EHS. Grootschalige ingrepen zijn, zoals in de meeste provincies, alleen mogelijk als er geen alternatieven zijn, als er redenen van groot openbaar belang zijn en als de schade geheel wordt gemitigeerd en gecompenseerd. Dat is voor deze camping teveel gevraagd. Er zijn namelijk alternatieven en de uitbreiding is geen reden van groot openbaar belang. Compensatie is wel mogelijk: in de directe omgeving kan een met steen beklede afvoergoot worden omgevormd tot een brede bosbeek.

Voor kleinschalige ingrepen gelden in Overijssel soepeler regels. Ingrepen in de EHS zijn toegestaan “als de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS slechts in beperkte mate worden aangetast, als de EHS per saldo wordt versterk en alleen na een goede afweging van alternatieven”. Maar de Provincie verstaat onder kleinschalige ingrepen tot nu alleen minimale wijzigingen, zoals de aanbouw van een bestaand huis binnen de EHS. Opoffering van een bosperceel voor een camping valt daar niet onder. De regels zouden voor een situatie als camping Zonneroosje moeten worden opgerekt.

Waarom camping Zonneroosje?
We kwamen er over te praten in twee aan dit bedrijf gewijde werkateliers van AtelierOverijssel. Die laatste waakt over de kwaliteit van stad en platteland in Overijssel. De werkateliers zijn bedoeld om oplossingen met ruimtelijke kwaliteit te bieden aan ondernemers die daar oog voor hebben. De eigenaar van camping Zonneroosje valt in die categorie. Ik was door AtelierOverijssel gevraagd om mee te denken vanuit het juridisch perspectief: natuurwetgeving en ruimtelijk beleid.

In het eerste werkatelier ‘op ambtelijk niveau’ bekeken we samen met de eigenaar de ruimtelijke alternatieven. Die zijn er, maar ze lossen voor de eigenaar nauwelijks iets op. Ook natuur en landschap worden er niet beter van. De bosbeek zou daarentegen voor de EHS een echte verbetering zijn. Door nieuwe kampeerplekken in het bos toe te staan, kan de bosbeek als EHS- en Boswetcompensatie worden aangelegd. Ecologisch gezien werd dit de voorkeursoptie.

In een tweede werkatelier, deze keer met bestuurders, bleek deze keuze te worden ondersteund. De gemeente ziet de mogelijkheden voor de ondernemer zonder dat er kwaliteitsverlies optreedt. Het Waterschap ziet de voordelen van een bosbeek boven de huidige stenen goot. Buurman Staatsbosbeheer wil wel meedenken over de inrichting en misschien ook wel het eindbeheer overnemen. VNO-NCW wil deze casus inbrengen in het provinciale platform ‘Samen werkt beter’. De vraag is dus hoezeer de Provincie bereid is om de regels voor de EHS op te rekken.

In feite gaat het hier om een vorm van ontwikkelingsplanologie waarbij er iets wordt ingeleverd en er iets mooiers voor terugkomt. Dat is eng, want moeilijk te meten. Gemeente en VNO-NCW vragen dus om objectieve criteria, zodat het proces niet in een later stadium alsnog stuk loopt. Heel moeilijk moet zo’n set afspraken niet zijn. In de Overijsselse omgevingsverordening staat nu al dat oppervlakte, kwaliteit en samenhang van de EHS behouden moeten blijven. Een gelijkblijvende oppervlakte is meetbaar, behoud van de samenhang is ook goed objectief te maken. Alleen de kwaliteit is moeilijk in een cijfer uit te drukken. Mijn voorstel in het werkatelier was om hier de ondernemer het voordeel van de twijfel te gunnen: hoe beter de kwaliteit, hoe overtuigender het voorstel. Bij camping Zonneroosje is dat niet moeilijk: alle aanwezigen zagen in dat de brede boszone met beek winst betekent voor zowel de oppervlakte als de samenhang én de kwaliteit. Zo’n oplossing past dan weliswaar niet één op één binnen de bestaande regels, maar zou toch met enige souplesse mogelijk moeten zijn.

*Op verzoek van de eigenaar is de naam van de camping gefingeerd en geven we geen exacte locatie.

Geplaatst in Uncategorized, in de EHS? | Getagged , , , , , | Reacties staat uit voor Kan Camping Zonneroosje uitbreiden, in de EHS?

Rijksnatuurvisie zoekt nieuwe vrienden

De recent uitgebrachte Rijksnatuurvisie ‘Natuurlijk verder’ is voor natuurbeschermers en andere maatschappelijk geïnteresseerden boeiende lectuur. Het zeer leesbare beleidsstuk geeft aan hoe deze regering tegen natuurbescherming aankijkt. Maar het is meer dan dat: het beschrijft en stimuleert de vermaatschappelijking van de natuurbescherming. Sommigen hebben daar moeite mee.

Jachthaven 403x302De Natuurvisie ademt de sfeer van deze tijd: natuur is van iedereen, natuur en economie moeten van elkaar profiteren, voor natuurbeheer is een gelijk speelveld nodig, voor de aangrenzende bedrijven minder regels en meer positieve prikkels. Spannende uitgangspunten, maar ze zijn niet zonder risico’s. In de sociale media wijzen de natuurbeschermers vooral op die risico’s. Te weinig aandacht voor de grote natuurgebieden en voor het verdwijnen van kwetsbare soorten, teveel nadruk op natuur in functiecombinaties als waterberging en stedelijke natuur en teveel versnipperde acties rond nogal vage begrippen als ‘gastvrijheidseconomie’ en ‘biobased economy’. Ik ken die argumenten en ik deel gedeeltelijk die zorgen. Maar tegelijkertijd is de visie – net als ikzelf – hoopvol gestemd. Dat waardeer ik. Mijn oordeel over de visie is dus voorzichtig positief.

De Natuurvisie wordt door sommige donkergroene natuurbeschermers, naar de vorige staatssecretaris, wel een ‘Bleker-light’ visie genoemd. Ik ben het daar niet mee eens. De Natuurvisie breekt immers met een aantal van diens fundamenteel foute uitgangspunten. Zo ontnam Bleker de natuurbescherming elke ambitie. Hij zette de grondverwerving voor de EHS stil en schafte veel natuur- en recreatiedoelen af, waaronder de robuuste verbindingen. Bleker weigerde de dialoog met de natuurorganisaties en was er op uit om Staatsbosbeheer een kopje kleiner te maken. De huidige staatssecretaris toont in elk geval wél ambitie. Een deel van de bezuinigingen van Bleker is weer teruggedraaid, waarna de aankopen en de inrichting weer op gang zijn gekomen. De EHS staat weer op de wagen, inclusief de noodzakelijke verbindingen tussen de natuurkernen. Die moeten volgens haar vooral robuust zijn, met voldoende ruimte voor natuurlijke processen en aandacht voor de landschappelijke schaal. Bovendien wil staatssecretaris Dijksma bovenal de dialoog aangaan. Niet alleen met de natuurorganisaties, maar met iedereen die iets voor de natuur kan betekenen.

De Natuurvisie richt zich uitdrukkelijk op de vermaatschappelijking van de natuurbeweging. Natuur is in de ogen van Dijksma niet alleen iets voor de reservaten, maar moet wortelen in de gehele samenleving. Boeren, overheden en bedrijven moeten van haar allemaal hun verantwoordelijkheid nemen. Natuur is niet alleen een hindermacht, maar vooral ook een kans op vernieuwing en maatschappelijke vooruitgang. Door het natuurbeleid te bevrijden van de neiging tot detaillering ontstaan, volgens de Natuurvisie, betere kansen voor een sterke natuur en voor een meer ontspannen samengaan met maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Daar is niets mis mee, maar de staatssecretaris staat hier zelf als eerste aan de lat. De huidige regelgeving rond natuur draait zich immers volkomen vast en de staat is daar in hoge mate zelf verantwoordelijk voor.

Natuurlijk, de natuurvisie is hier en daar wel erg positief getoonzet.  De staatssecretaris ziet overal kansen en voorbeelden van vernieuwing en nieuwe coalities, ook waar ze er maar moeizaam zijn. Je zou het ‘wensdenken’ kunnen noemen. Maar je kunt ook stellen dat de Natuurvisie niet anders kan dan positief zijn. De Rijksoverheid heeft immers nauwelijks nog een rol bij de inrichting en de bescherming van de natuur. Deze is inmiddels vrijwel geheel bij de Provincies ondergebracht. Het Rijk heeft slechts twee mogelijkheden: zich zoveel mogelijk terugtrekken, zoals Bleker deed, of stimuleren en faciliteren, zoals Dijksma wil. Het Ministerie moet dus wel nieuwe wegen en nieuwe vrienden zoeken.

In het kader van de ‘nieuwe vrienden’ signaleert de Natuurvisie terecht dat het bedrijfsleven steeds meer belangstelling krijgt voor het verschijnsel ‘biodiversiteit’. Dat is een kant die de traditionele natuurbescherming, afgezien van het aspect ‘sponsoring’, helaas tot nu toe maar weinig boeit. Daardoor blijft die ontwikkeling bij velen nog uit het zicht, maar zij is er wel degelijk. De gremia waarin dit plaatsvindt, zijn Leaders for Nature (in Nederland) en de World Business Council for Sustainable Development (wereldwijd), met een programma voor Biodiversity for Business.

ARCADIS is van beide actief lid, samen met honderden bedrijven uit Europa, de beide Amerika’s en Azië.  Het gaat dan niet om kleine voorloperbedrijfjes met een idealistische insteek, maar om bedrijven als Toyota, Siemens, Nokia, Philips en de Bank of America. Voor wie cynisch denkt  dat deelname voor die bedrijven een vorm van greenwashing is, is het goed te weten dat de afspraken in beide fora  beslist niet vrijblijvend zijn. In de World Business Council worden op CEO-niveau afspraken gemaakt over het in beeld brengen van de eigen milieugebruiksruimte (‘ecological footprint‘), de afhankelijkheid van natuurlijke bronnen en transparante en verifieerbare verslaglegging daarover.

De werkelijkheid is, dat nu ook de grote bedrijven gaan inzien dat er grote risico’s dreigen als de maatschappij roofbouw blijft plegen op de natuur. Of het nu om betrouwbaar drinkwater (Pepsico), duurzame visbestanden (Unilever) of voldoende oorspronkelijke zadenbronnen (Monsanto) gaat: ze zijn van belang voor de continuïteit van de bedrijfsactiviteiten én voor de maatschappij. De eerste stap is dat men dit in beeld wil brengen, maar de vervolgstap is onvermijdelijk dat die bedrijven hun bronnen gaan beschermen. Voor de natuurbescherming biedt dat een belangrijke kans op samenwerking. Daarvoor is aan beide kanten een open houding gewenst. De Natuurvisie maakt er terecht een punt van.  Door bedrijven er op aan te spreken en door (kritisch) mee te denken kunnen overheden én natuurbeschermers hier flinke vooruitgang boeken.

Geplaatst in Rijksnatuurvisie zoekt nieuwe vrienden | Getagged , , , , , , | 1 reactie

Groene diensten: wat we kunnen leren van onze zuiderburen?

Natuur en landschap kosten niet alleen geld, maar kunnen ook geld opleveren of besparen. Vreemd genoeg blijven die opbrengsten en besparingen bij de discussie over natuurbeleid meestal buiten beeld. De Vlaamse overheid gaat daar heel anders mee om. Op dit punt kunnen wij veel leren van onze zuiderburen.

Zeer recent kreeg ik een persbericht onder ogen met de titel: “MKBA pakt positief uit voor Wierdense Veld”. MKBA staat voor ‘maatschappelijke kosten/batenanalyse’ en het Wierdense Veld is een nat heidegebied in Overijssel. Het saldo van alle maatregelen om dit gebied te verbeteren blijkt 2,8 miljoen euro positief te zijn.

Waar het in feite om gaat is dat natuur niet alleen geld kost. Natuur en landschap leveren de maatschappij ook besparingen en opbrengsten. In de wandeling heten dat ‘ecosysteemdiensten’ of ‘groene diensten’.  Dat kunnen concrete producten zijn, zoals hout, schoon drinkwater en vis of meer regulerende functies als waterzuivering, CO2-opslag, afbraak van toxische stoffen en afvang van fijnstof. Ten slotte heb je nog de moeilijk in getallen te vatten culturele diensten als recreatie en beleving, gezondheidswaarde, motorische ontwikkeling van kinderen en kunstzinnige inspiratie. Buiten Nederland bestaat daar veel meer aandacht voor dan hier. Hier betrekken we de baten van natuur en landschap nog niet vanzelfsprekend in onze beleidskeuzes.

De Vlaamse overheden zijn op dit punt veel actiever. Ze zetten studies uit en stimuleren om de waarde van natuur en landschap in de besluitvorming evenwichtig te vergelijken met de kosten. Zo ontwikkelde het Departement van Landbouw, Natuur en Energie een aantal rekentools waarmee de kosten en baten grofweg in beeld zijn te brengen. Richard Peters, een Nederlandse collega die in België werkt, ontwikkelde de methode verder en paste het met een team van ecologen en milieueconomen toe op een aantal verschillende opdrachten. Zo berekenden zij voor het (Vlaamse) Agentschap Natuur en Bos de baten van de geplande ecologische verbindingszones in de Provincie Antwerpen en voor dezelfde organisatie ook de baten van de omvorming van een voormalige vliegbasis tot natuurgebied. Collega en milieueconoom Stijn Lambert paste dit concept ook toe om de baten vast te stellen van de vegetatie van rivier- en kanaaloevers en wegbermen in België. Voor de Europese Commissie stelden onze zuidelijke collega’s de baten van een aantal Natura 2000-gebieden vast evenals de effecten van klimaatsverandering op de levering van ecosysteemdiensten in de Karpaten, in Oost-Europa. Kortom: de methodiek is bruikbaar voor vraagstukken van totaal verschillende aard.

Onze zuiderburen produceren in eerste instantie vooral GIS-kaarten. Bijvoorbeeld van de vastlegging van koolstof in de vegetatie, het verschil tussen neerslag en verdamping of de geschiktheid van een terrein voor hommels en bijen als bestuivers van fruitboomgaarden. Daarmee berekenen zij in een regio de hoeveelheid CO2-opslag, het aantal m³ waterberging en andere relevante factoren. “Dat is beslist geen ‘rocket science’ zegt Richard Peters. “Wij gaan uit van eenvoudige modellen en grove aannames en bovendien van algemeen beschikbare geografische informatie”. Het direct omzetten naar geldbedragen doet Richard bewust niet: “Dan suggereer je dingen die je niet kunt waarmaken. Je gaat voorbij aan factoren die niet of nauwelijks in geld zijn uit te drukken, zoals biodiversiteit of natuurgenot. De berekeningen van de waarde van de groene diensten bewijzen hun nut vooral als een krachtig communicatiemiddel. Je kunt er mee laten zien welke positieve bijdrage de aanleg van een natuurgebied, een recreatieve stadsrandzone of een klimaatbuffer voor de samenleving heeft. Dat zet de discussie vaak in een heel ander daglicht”.

Dat dergelijke berekeningen niet alleen interessant zijn voor overheden die hun uitgaven voor natuur en landschap maatschappelijk willen legitimeren, blijkt opnieuw in Vlaanderen. Het drinkwaterbedrijf dat grenst aan de eerder genoemde vliegbasis ziet nu ook de voordelen van het in beeld brengen van de ecosysteemdiensten. De bijdrage van het bedrijf aan het natuurbeheer in de drinkwaterbeschermingszone krijgt door de kaarten en rekensommen van Richard en zijn team een maatschappelijke en getalsmatige onderbouwing. Mooie PR en een heldere onderbouwing voor de ‘license to produce’ van het waterwinningsbedrijf.

Geplaatst in Uncategorized | Getagged , , , , , , , , , , | 2 Reacties